Nieuwsbericht

Vrijwilligers tellen bestuivers in Groninger akkernatuur

maandag 18 februari 2019

Bijen en zweefvliegen staan bekend als lastig te herkennen insecten. Een nieuwe vorm van monitoring, opgezet door De Vlinderstichting en EIS Kenniscentrum Insecten, laat echter zien dat vrijwilligers deze bestuivers kunnen monitoren. De eerste resultaten van twee jaar tellen op akkernatuurmaatregelen in Groningen zijn hoopgevend.

Akkerhommel op paardenbloem

In Groningen is de Vogelakker uitgevonden door de Werkgroep Grauwe kiekendief. Deze meerjarige maatregel op perceelsniveau bestaat uit een afwisseling van stroken meerjarig eiwitgewas (luzerne of rode klaver) met stroken natuurbraak (meerjarig kruidenmengsel). Hoewel Vogelakkers voor akkervogels als de grauwe kiekendief een bewezen toegevoegde waarde hebben, is nooit eerder onderzocht wat de betekenis van Vogelakkers is voor bloembezoekende insecten als bijen en zweefvliegen. 

"Uit deze studie blijkt voor het eerst dat Vogelakkers gebruikt kunnen worden door bijen en zweefvliegen."

 

Download het rapport

Kennislacune

Om deze kennislacune te vullen, is in 2016 een netwerk van Groninger vrijwilligers opgezet door De Vlinderstichting en EIS Kenniscentrum Insecten, met ondersteuning door Werkgroep Grauwe Kiekendief (tegenwoordig: Grauwe Kiekendief-Kenniscentrum Akkervogels). De circa twintig vrijwilligers hebben een korte cursus gehad om beter thuis te raken in het herkennen en monitoren van zweefvliegen en bijen.

Maandelijkse tellingen

In 2017 zijn op een vijftal Vogelakkers in de provincie Groningen monitoringstransecten uitgezet in de kruidenstroken van de Vogelakkers. Vanaf juli 2017 tot en met september 2018 zijn maandelijkse tellingen uitgevoerd door de vrijwilligers (in de maanden dat bestuivers actief zijn, namelijk april t/m september). De hiervoor gebruikte methode is laagdrempelig: voor vier onderscheiden groepen bijen en negen groepen zweefvliegen is per telling het aantal per groep bepaald binnen een transect. Determinatie tot op soortniveau, die vaak als moeilijk wordt ervaren, is hiermee voorkomen.

Zeldzame hommel

Tijdens in totaal 240 transecttellingen zijn in 2017 en 2018 samen in totaal 1027 bijen en 1120 zweefvliegen geteld. De groepen hommels (70% van het aantal tellingen), honingbijen (60%), langlijfjes (43%) en grote bijvliegen (34%) waren daarbij het talrijkst. In 12% van de transecttellingen werd geen enkele bestuiver waargenomen. Gemiddeld over het hele seizoen werden er per transectteling ruim 9 bestuivers in een transect geteld. Dit indiceert dat Vogelakkers geregeld bezocht worden door bijen en zweefvliegen. Er werd een negatief verband gevonden tussen het aantal honingbijen en het aantal wilde bijen in een telling: meer honingbijen resulteerde in een kleiner aantal wilde bijen in een transect. Daarom wordt aanbevolen geen bijenkasten te plaatsen in de nabijheid van Vogelakkers. Bijzonder was de vondst van de landelijk zeldzame moshommel in drie van de vijf onderzochte Vogelakkers. Deze soort was sinds 2007 niet meer op het vasteland van Groningen gezien.

Meer bloemen, meer bestuivers

Aardhommel op esparcette in een vogelakker.

In veel van de tellingen is tevens het bloemaanbod nauwkeurig bepaald. Daaruit blijkt dat er een positief verband is tussen het aantal bloemen en het aantal bijen en zweefvliegen in een transect: meer bloemen betekent meer bestuivers. Ook blijkt dat het bloemaanbod in 2018 lager was dan in 2017. Wellicht als gevolg hiervan werden er in 2018 minder bestuivers per telling gezien dan in 2017.

Vrijwilligers van essentieel belang

Uit deze studie blijkt voor het eerst dat Vogelakkers gebruikt kunnen worden door bijen en zweefvliegen, zowel door algemene als zeldzame soorten. Verder wordt de grote waarde van monitoring door vrijwilligers onderstreept. Zelfs groepen die bekend staan om hun lastige determinatie zijn op laagdrempelige wijze door vrijwilligers te monitoren, mits er een opleiding en goede professionele ondersteuning geboden worden.

akkers bestuiving Bijen monitoring Zweefvlieg