watersnuffel Enallagma cyathigerum

Kan massaal voorkomen bij verzuurde vennen.
Familie
waterjuffers (Coenagrionidae)
Onderfamilie
Coenagrioninae
Genus
Enallagma
Onderorde
Juffers - Zygoptera
Zeldzaamheid

Zeer algemeen.

Rode Lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

29-36 mm. Kenmerkende borststuktekening: de lichte schouderstreep is minimaal even breed, maar meestal breder dan zwarte schoudernaadstreep die eronder ligt. Bovendien is aan de basis van de tweede zijnaad geen kort streepje aanwezig. Alleen op de eerste zijnaad bevindt zich een dergelijk streepje. Bij andere blauwe juffers zijn beide streepjes aanwezig. Mannetje: blauw, met een relatief beperkte zwarte tekening op het achterlijf. De tekening op de bovenzijde van segment 2 is variabel, maar meestal in de vorm van een paddestoel (of ‘atoombommetje’). De segmenten 3, 4 en 5 hebben zwarte vlakjes bij de achterrand, die ongeveer een kwart van de segmentlengte innemen. Segment 6 is ongeveer voor de helft zwart, segment 7 vrijwel geheel. 8 en 9 zijn geheel blauw. Sporadisch komen mannetjes voor die een uitgebreidere zwarte tekening hebben. Vrouwtjes: Achterlijfsegmenten met brede zwarte torpedovormige figuren. De lichte delen van borststuk en achterlijf eenkleurig geel, bruin, groen of blauw. Aan de onderkant van segment 8 steekt een doorntje naar achteren (de vulvaardoorn), die bij waterjuffers van het geslacht Coenagrion ontbreekt.

Gelijkende soorten
Gelijkende soorten:

Andere blauwe juffers, vooral azuurwaterjuffer en kanaaljuffer.

Meer over gelijkende soorten:

Het beste kenmerk om de watersnuffel (mannetjes en vrouwtjes) van andere waterjuffers te onderscheiden is de borststuktekening: brede schouderstreep en daaronder een klein zwart streepje op slechts één van de twee zijnaden.
Mannetjes azuurwaterjuffer ogen even blauw als de watersnuffel, maar het blauw is iets lichter en het lichaam is slanker. Verder hebben azuurwaterjuffers dus smallere schouderstrepen en twee kleine zwarte streepjes op de zijkant van het borststuk (op beide zijnaden een streepje).
Watersnuffels vertonen soms hetzelfde gedrag als kanaaljuffers: ze vliegen vlak boven het water in een rechte vlucht en gaan vlak boven de waterspiegel op plantenstengels zitten. Wees bij een waarneming van kanaaljuffer dus altijd bedacht op de mogelijkheid van een watersnuffel, ookal lijkt de biotoop ongeschikt voor de laatste. De kanaaljuffer is herkenbaar aan de geheel blauwe ogen (zonder donker kapje), de spitse zwarte figuurtjes op het achterlijf, het korte ‘lantaarntje’ aan de achterlijfspunt en de lange spitse achterlijfsaanhangselen. Ze hebben net als watersnuffels vrij brede schouderstrepen.
Vrouwtjes watersnuffel zijn zeer variabele gekleurd en doen daarom vaak aan een andere waterjuffer denken, soms zelfs aan bruine winterjuffer. De borststuktekening is het beste kenmerk om te bepalen of het een watersnuffel is of niet.

maanwaterjuffer
Coenagrion lunulatum
Coenagrionidae: Coenagrioninae

kanaaljuffer
Erythromma lindenii
Coenagrionidae: Coenagrioninae

donkere waterjuffer
Coenagrion armatum
Coenagrionidae: Coenagrioninae

azuurwaterjuffer
Coenagrion puella
Coenagrionidae: Coenagrioninae

lantaarntje
Ischnura elegans
Coenagrionidae: Coenagrioninae

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum
Coenagrionidae: Coenagrioninae

gaffelwaterjuffer
Coenagrion scitulum
Coenagrionidae: Coenagrioninae

noordse winterjuffer
Sympecma paedisca
Coenagrionidae: Coenagrioninae

variabele waterjuffer
Coenagrion pulchellum
Coenagrionidae: Coenagrioninae

mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale
Coenagrionidae: Coenagrioninae

bruine winterjuffer
Sympecma fusca
Coenagrionidae: Coenagrioninae

Uiterlijk van de larve

Lengte: 20 - 25 mm; waarvan de achterlijf aanhangsels, procten, 6-7 mm.
De larven zijn vrij klein, met afgeronde procten, vaak met donkere banden (max. drie) ter hoogte van de nodaallijn. Deze nodaallijn is zonder een duidelijke bocht richting de basis van de proct en hooguit licht S-vormig gebogen.

Verwarring met andere larven

Lijkt op de azuurwaterjuffer en de variabele waterjuffer. Bij deze soorten loopt de nodaallijn met een duidelijk bocht richting de basale zijde van de proct. Onder vergroting is ook te zien dat deze soorten een kleine doorn hebben aan de basis van de voorste borstelhaar op de labiale palp. Ook gelijkend is de gaffelwaterjuffer maar ook hier is onder vergroting te zien dat de afstand tussen de buitenste borstelhaar op het prementum en de buitenrand kleiner is.

Levenscyclus

De larven overwinteren een, soms twee keer. Uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode: begin mei tot en met april tot half september. In juni, juli en augustus worden de meeste verse imago’s gezien.

Larvenhuidjes zijn vaak lichtbruin en bijna doorzichtig.
Leefomgeving van de larve

Meestal op of in de modderige bodem. Larven kunnen in zeer hoge dichtheden voorkomen.

Habitat

Allerlei stilstaande watertypen met relatief veel open water. Hoogste dichtheden bij zure vennen en hoogvenen. Grote aantallen watersnuffels zijn hier een indicator voor verzuring. Bij voedsel- en vegetatierijke wateren zeldzamer, evenals bij zwak stromend water.

Biotoop

De Watersnuffel komt vooral voor op zandgronden, vaak bij grote vennen maar ook bij andere grotere wateren. De grootste aantallen zijn te vinden bij voedselarme, zure vennen en hoogvenen. De soort kan hier excessief talrijk zijn (zie figuur 10 in hoofdstuk 8), en geldt dan als een indicator voor verzuring. In de duinstreek is de soort algemeen bij matig voedselrijk, helder water in waterwingebieden (infiltratieplassen). Bij stromend water en bij kleine wateren is hij minder talrijk (Bellmann 1987, Dijkstra 1998, Schorr 1990). Het ophopen van organisch materiaal op de bodem begunstigt de soort doordat de beschikbaarheid van larvale biotoop toeneemt; verzuring van het water verstrerkt dit effect, doordat het de afbraak van organisch materiaal remt (Heidemann & Seidenbusch 1993, Verbeek et al. 1986). Buiten de zandgronden, in de veenweide- en kleigebieden, komt de watersnuffel lokaal in kleine aantallen voor bij schone, heldere en matig voedselrijke sloten. In Duitsland zijn de aantallen bij smalle sloten klein, en heeft de soort een voorkeur voor brede sloten (De Groot 1996a, 1997, Schorr 1990).
 
Overgenomen (met toestemming) uit:

 

Vliegtijd en gedrag

Lange vliegtijd: begin mei tot in oktober. Hoogste aantallen in juni, juli en augustus. Mannetjes vliegen in een rechte lijn laag over het water (‘snuffelen’) en gaan regelmatig zitten op uit het water stekende planten. Jonge imago’s zijn vaak te vinden in bosranden en heidevelden.

Mobiliteit

Jonge imago’s zwerven ver uit en zijn goed in staat om nieuwe geschikte plaatsen te koloniseren.

In Nederland
Ja
Regionaal

Overal in Nederland aan te treffen. Schaars in het noorden van Noord-Holland (uitgezonderd duinen), het noordoosten van Friesland en het noorden van Groningen.

Europa

Komt voor in heel Europa, van de Middellandse Zee tot boven de poolcirkel.

Mondiaal

Oostelijk tot in Mongolië en geheel Siberië. In Afrika alleen in Marokko.

Zeldzaamheid
Trends

Matige afname in de periode 1999-2006. Dit heeft mogelijk te maken met afnemende verzuring van vennen.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Common Bluet, Common Blue Damselfly
Duitse naam
Becher-Azurjungfer
Franse naam
Agrion porte-coupe
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) Enallagma=verwisseling; vanwege de gelijkenis van de verschillende blauwe juffertjes
(Gr.) kyathos=beker, (L.) gerere=dragen; duidt op de zwarte figuur op het tweede achterlijfssegment van het mannetje

Auteursnaam en jaartal
(Charpentier, 1840)

Tijdschriften

Soorten uit dezelfde familie waterjuffers (Coenagrionidae)

maanwaterjuffer
Coenagrion lunulatum

dwergjuffer
Nehalennia speciosa

tengere grasjuffer
Ischnura pumilio

azuurwaterjuffer
Coenagrion puella

vuurjuffer
Pyrrhosoma nymphula

kleine roodoogjuffer
Erythromma viridulum

alle soorten uit deze familie