lantaarntje Ischnura elegans

Algemeenste libel van Nederland.
Familie
waterjuffers (Coenagrionidae)
Onderfamilie
Ischnurainae
Genus
Ischnura
Onderorde
Juffers - Zygoptera
Zeldzaamheid

Zeer algemeen.

Rode Lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

30-34 mm. Achterlijf in bovenaanzicht geheel donker, met segment 8 licht gekleurd (het ‘lantaarntje’). Pterostigma’s tweekleurig: donkere basis, lichte top. Mannetje: lichte delen op borststuk eerst groen, daarna blauw. Kleur van het lantaarntje altijd hemelsblauw (bij uitgekleurde dieren). Vrouwtje: ingewikkelde variatie in de lichtgekleurde delen. De kleur van het borststuk kan groen, blauw, paars, oranje of bruin zijn. Sommige kleurtypen lopen in elkaar over naar gelang het dier ouder wordt. Het ‘lantaarntje’ is bij sommige typen bruin in plaats van blauw en daardoor minder opvallend.

Gelijkende soorten
Gelijkende soorten:

Tengere grasjuffer, roodoogjuffers, donkere waterjuffer. Donkere vrouwtjes kunnen met andere waterjuffers verward worden.

Meer over gelijkende soorten:

Mannetjes tengere grasjuffer hebben een ‘lantaarntje’ dat meer naar achteren is ‘verschoven’: in plaats van heel segment 8 is alleen de top van segment 8 en heel segment 9 blauw gekleurd. Vrouwtjes tengere grasjuffer hebben geen ‘lantaarntje’ en de lichte delen op het lichaam zijn fel oranje, groen of blauw gekleurd. Vrouwtjes lantaarntje hebben wel altijd een ‘lantaarntje’ op segment 8, maar bij donkere exemplaren kan dit moeilijk zichtbaar zijn. De lichte delen zijn in dat geval flets oranje of bruin.
Sommige andere juffers kunnen ook een lantaarntje hebben, of iets wat daarop lijkt. Voorbeelden daarvan zijn grote en kleine roodoogjuffer, donkere waterjuffer en donkere exemplaren variabele waterjuffer. Deze soorten zijn echter tenminste aan de basis van het achterlijf licht gekleurd, hebben geen tweekleurige pterostigma’s en hebben verschillende andere kenmerken die lantaarntje uitsluiten.

kanaaljuffer
Erythromma lindenii
Coenagrionidae: Ischnurainae

maanwaterjuffer
Coenagrion lunulatum
Coenagrionidae: Ischnurainae

donkere waterjuffer
Coenagrion armatum
Coenagrionidae: Ischnurainae

watersnuffel
Enallagma cyathigerum
Coenagrionidae: Ischnurainae

azuurwaterjuffer
Coenagrion puella
Coenagrionidae: Ischnurainae

grote roodoogjuffer
Erythromma najas
Coenagrionidae: Ischnurainae

tengere grasjuffer
Ischnura pumilio
Coenagrionidae: Ischnurainae

gaffelwaterjuffer
Coenagrion scitulum
Coenagrionidae: Ischnurainae

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum
Coenagrionidae: Ischnurainae

mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale
Coenagrionidae: Ischnurainae

kleine roodoogjuffer
Erythromma viridulum
Coenagrionidae: Ischnurainae

Uiterlijk van de larve

Lengte: 18 - 21 mm; waarvan de achterlijf aanhangsels, procten, 5-6 mm.
De larven zijn vrij klein, met puntige procten, zonder banden.
Borstelharen op de carina lateralis zijn groot en op een enkele regelmatige rij.
Er is een groot verschil in lengte tussen de doornenrij op de bovenzijde van een proct met die op de onderzijde. Kortste doornenrij van een proct bereikt maximaal een derde van de lengte van de proct.

Verwarring met andere larven

Lijkt het meest op de tengere grasjuffer, maar deze is gemiddeld iets kleiner en de borstelharen op de carina lateralis zijn klein en ingeplant in meerdere onregelmatige rijen.
Ook lijkend op variabele waterjuffer, azuurwaterjuffer en de watersnuffel. Bij deze soorten is de doornenrij van een proct minimaal een derde van de lengte van de proct.

Levenscyclus

Larven overwinteren een keer. Het uitsluipen gebeurt gedurende een lange periode. In sommige jaren begint het al in eind april en gaat het door tot in september. De meeste verse imago’s worden echter gevonden tussen eind mei en eind augustus. De levenscyclus kan soms waarschijnlijk ook binnen een lente en zomer worden afgerond, zodat een tweede generatie optreedt. In andere landen is dit bewezen en in Nederland komt het waarschijnlijk ook voor.

Larvenhuidjes weinig variabel van kleur.
Leefomgeving van de larve

Tussen waterplanten, maar ook op de bodem tussen dood plantenmateriaal of modder.

Habitat

Vrijwel alle zoete watertypen, soms ook in brak water. Heeft van alle Nederlandse soorten de minst uitgesproken habitatvoorkeur. Vooral algemeen in voedselrijk, helder water met gevarieerde oevervegetatie. Duidelijk minder algemeen in zure wateren.

Biotoop

Het Lantaarntje is aan te treffen bij vrijwel alle watertypen. In bepaalde biotopen is het zelfs de enige libel. In Nederland worden de hoogste aantallen waargenomen bij tamelijk helder, matig voedselrijk, stilstaand water met een brede, gevarieerde oevervegetatie, zoals brede gordels van riet (Phragmites australis), lisdodde (Typha sp.) en zeggen (Carex sp.). Maar het lantaarntje plant zich ook voort in kale, pasgegraven vijvers. Het lantaarntje is duidelijk minder talrijk bij zure wateren, zoals vennen op de hoge zandgronden, of bij zeer voedselrijke wateren. Ook langs stromend water wordt de soort weinig gevonden. Soms plant het lantaarntje zich zelfs voort in brak water, hoewel het chloridegehalte een sterk negatief effect op het voorkomen heeft – larven kunnen zich ontwikkelen in brak water met een chloride-gehalte tot circa 2 g/l. Hoewel I.elegans bijna overal algemeen voorkomt, zijn ze niet overal even talrijk. Het kader geeft een aantal verbanden weer tussen biotoopkenmerken en talrijkheid, gebaseerd op een bestand van enkele jaren fijnmazige waarnemingen in Zuid-Holland. (Beukeboom 1985, Krebs 1990, Merritt et al. 1996, Moore 1991, Schorr 1990, Wasscher 1992)
Ook in Duitsland is het lantaarntje het talrijkst op plaatsen met een oevervegetatie van planten als riet, biezen (Scirpus sp.) en paardenstaarten (Equisetum sp.). De aanwezigheid van I.elegans bij stromend water wordt daar gezien als een indicatie voor geringe waterkwaliteit (Jantzky & Ritzau 1992, Kiauta 1965a, Klein 1984, Rehfeldt 1983, 1986).

Overgenomen (met toestemming) uit:

 

Vliegtijd en gedrag

Eind april tot begin oktober. Grootste aantal tussen eind mei en eind augustus. Lantaarntjes zijn meestal langs de waterkant in de oevervegetatie te vinden, soms in grote aantallen. Ook de pas uitgeslopen dieren blijven doorgaans in de nabijheid van het water. Bij bewolkt of zelfs regenachtig weer zijn lantaarntjes vaak de enige libellen die nog rondvliegen tussen de vegetatie. Ei-afzet vindt plaats in allerlei planten. Vaak betreft dit drijvende, dode plantendelen, maar levende en boven het water uitstekende planten worden ook gebruikt. Het vrouwtje zet de eitjes doorgaans solitair af, dit in tegenstelling tot de meeste andere juffers. Soms verdwijnt ze hierbij onder water.

Mobiliteit

Weinig mobiele soort, maar door het algemene voorkomen toch snel in nieuwe geschikte habitats te verwachten.

In Nederland
Ja
Regionaal

Overal zeer algemeen.

Europa

In bijna alle Europese landen. In Scandinavië alleen in het zuiden. In Portugal en een groot deel van Spanje wordt het lantaarntje vervangen door de sterk lijkende Iberische grasjuffer.

Mondiaal

Oostelijk tot en met Japan. Niet in Afrika.

Zeldzaamheid

Zeer algemeen.

Trends

Stabiel in de periode 1999-2006.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Common Bluetail, Blue-tailed Damselfly
Duitse naam
Grosse Pechlibelle
Franse naam
Agrion élégant
Oud Nederlandse naam
gewoon blauwgatje
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) ischnos=dun, mager, ura=staart; duidt op het slanke achterlijf
(L.) elegans=elegant, verfijnd, gracieus, mooi

Auteursnaam en jaartal
(Vander Linden, 1820)
Vormen

De vrouwtjes komen voor in zes verschillende kleurvormen.


Soorten uit dezelfde familie waterjuffers (Coenagrionidae)

vuurjuffer
Pyrrhosoma nymphula

koraaljuffer
Ceriagrion tenellum

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum

grote roodoogjuffer
Erythromma najas

dwergjuffer
Nehalennia speciosa

mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale

alle soorten uit deze familie