koraaljuffer Ceriagrion tenellum

Kleine, laat vliegende rode juffer.
Familie
waterjuffers (Coenagrionidae)
Onderfamilie
Pseudagrioninae
Genus
Ceriagrion
Onderorde
Juffers - Zygoptera
Zeldzaamheid

Tot voor kort vrij zeldzaam tot vrij algemeen, maar deze zuidelijke soort wordt de laatste jaren snel algemener. Inmiddels algemeen in Drenthe en het oosten van Noord-Brabant.

Rode Lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

25-35 mm. Poten lichtrood. Borststuk aan bovenzijde bronskleurig. Schouderstrepen zeer smal of afwezig. Geen achteroogsvlekken. Mannetje: achterlijf geheel bloedrood. Ogen rood. Pterostigma’s donkerrood. Vrouwtje: op basis van achterlijfskleur zijn drie vormen te onderscheiden: Vorm erythrogastrum lijkt sterk op het mannetje door een geheel rood achterlijf. Alleen de segmentranden zijn donker. Vorm typica is donker gekleurd op segmenten 4 tot en met 8, soms iets meer, soms iets minder. Vorm intermedium betreft allerlei overgangsvormen tussen erythrogastrum en typica. Vorm melanogastrum heeft een geheel donker gekleurd achterlijf.

Gelijkende soorten
Gelijkende soorten:

Vuurjuffer, de enige andere rode juffer.

Meer over gelijkende soorten:

Vuurjuffers zijn groter en minder rood dan koraaljuffers: de poten zijn zwart in plaats van oranje en de mannetjes hebben een zwarte tekening op het achterlijf (geheel rood bij koraaljuffer). Vuurjuffers vliegen vroeger in het jaar dan koraaljuffers, maar de vliegtijden overlappen.

vuurjuffer
Pyrrhosoma nymphula

Uiterlijk van de larve

Lengte: 15 - 19 mm; waarvan de achterlijf aanhangsels, procten, 4-5 mm.
De larven zijn vrij klein, het occiput is gehoekt en met een duidelijke bocht naar de ogen toe. Onder vergroting is te zien dat de afstand tussen de twee borstelharen op het prementum kleiner is dan de afstand tot aan de rand van het prementum. Procten met variabele vlekken langs de rand.

Verwarring met andere larven

Lijkt het meest op de de Vuurjuffer, maar deze soort heeft geen borstelharen op de achterrand van segmenten 8 en 9. Verder verschil in afstand tussen de borstelharen op het prementum. Andere soorten van de familie van de waterjuffers hebben een afgeronde occiput en zijn dus duidelijk te onderscheiden. De blauwe breedscheenjuffer heeft ook een hoekig occiput maar heeft daarnaast een draadvormig aanhangsel aan de procten wat de koraaljuffer niet heeft.

Levenscyclus

De levenscyclus duurt een, mogelijk soms twee jaar. De larven zijn nog niet volledig volgroeid als ze de (laatste) winter in gaan. Uitsluipen gebeurt van eind mei tot eind augustus, met een piek in juli en begin augustus.

De larvenhuidjes zijn vaak lastig te vinden doordat de larven laag aan de voet van plantenstengels in dichte vegetatie uitsluipen. Dit doen ze vaak slechts enkele centimeters hoog en soms nog met de procten in het water.
Leefomgeving van de larve

In de ondiepe oeverzone tussen veenmos of, bij gebrek daaraan, tussen andere dichte vegetatie. Soms ook op de bodem tussen dood plantenmateriaal.

Habitat

Vennen en (minder vaak) plassen, vaak met veenmosvegetatie en pitrus of pijpenstrootje. Daarnaast op kwelrijke plaatsen, zowel met stilstaand als met stromend water.

Biotoop

De Koraaljuffer komt in Nederland voornamelijk voor bij min of meer zure (pH van 3,5 tot 6,0), voedselarme bos- en heidevennen en op hoogveen. Het water warmt ’s zomers relatief snel op en vriest ’s winters niet dicht, doordat het diep genoeg is of doordat het traag stroomt of kwel bevat. Er is een rijke begroeiing van zowel emerse als submerse planten. Sporadisch wordt de soort aangetroffen bij stromend water (Heidemann & Seidenbusch 1993, Jansen 1988, Krüner 1986, Schorr 1990).
In het Bargerveen komt de koraaljuffer voor bij water met planten die op verstoring duiden, zoals pitrus (Juncuseffusus), fioringras (Agrostisstolonifera), sikkelmos (Drepanocladus), grote lisdodde (Typhalatifolia), waternavel (Hydrocotylevulgaris) en algenflab – hier lijkt de soort een storingsindicator te zijn. In het Dwingelderveld komt de soort echter juist voor in oligotrofe milieus zoals hoogvenen (Jansen 1989, Verspui 1991, Wasscher 1992). Ook bevinden zich populaties bij kwelbeekjes, zoals in de steengroeven van Winterswijk. In België en Noord-Duitsland komt C.tenellum, net als in Nederland, hoofdzakelijk voor op vennen en hoogveen. In zuidelijk Europa wordt de soort onder kalkrijkere omstandigheden gevonden, vooral bij stromend water.
Het bevriezen van het voortplantingwater is waarschijnlijk de beperkende factor voor de soort om in meer noordelijke gebieden voor te komen (CLAUSNITZER et al., 2007). ln het verleden kwam de soort vrijwel uitsluitend voor bij venen met veenmossen. Met het steeds warmer worden van onze winters komen er steeds meer geschikte voortplantingbiotopen bij. In het zuiden van Europa plant de soort zich veel voor bij stromende wateren. Inmiddels is de Koraaljuffer ook in Nederland bij stromend water aangetroffen. Ook is de soortgevonden bij grindplassen langs de Maas waar ze voorkomt in een moeraszone die met name gedomineerd wordt door ruigtesoorten (Calle et al.,2007). De Koraaljuffer heeft inmiddels zelfs het polderland in Friesland gekoloniseerd, waar de soort in lage aantallen werd aangetroffen in de Haulerpolder bij kwelsloten met Holpijp (Equisetum fluviatile) (Bouwman & Kalkman,2008).

Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Van eind mei tot eind september, vliegpiek in tweede helft van juli en eerste van augustus. De imago’s blijven doorgaans in de buurt van het water en zijn dan aan te treffen tussen pijpenstrootje of pitrus. Eitjes worden in tandem afgezet op uit het water stekende planten, drijvend veenmos, of andere drijvende planten.

Mobiliteit

Zwakke vlieger, weinig mobiel. Toch weet de soort zich vrij vlot uit te breiden.

In Nederland
Ja
Regionaal

Vooral op de zandgronden van Drenthe en aangrenzend Friesland, Overijssel, de Achterhoek, Noord-Brabant en Limburg. Minder uitgebreid op de Veluwe. De soort duikt op steeds meer plaatsen op, ook buiten de zandgronden.

Europa

Zuidwestelijke soort. Iberisch Schiereiland, Frankrijk, Italië. Uitlopers in Midden-Europa, waaronder in Nederland, België, Duitsland en Zwitserland. In de Balkan alleen langs de Adriatische Zee. Groot-Brittannië alleen in het zuiden. Niet in Ierland, Scandinavië en het grootste deel van Oost-Europa.

Mondiaal

Zuidelijk tot in Noord-Afrika. Verder alleen in Europa.

Zeldzaamheid

Algemeen bij vennen op de zandgronden van Drenthe en aangrenzend Friesland, Overijssel, de Achterhoek, Noord-Brabant en Limburg. Voor alsnog vrij zeldzaam op overige zandgronden, maar de soort wordt duidelijk algemener. Ook van buiten de zandgronden komen meer waarnemingen, bijvoorbeeld uit het rivierengebied.
 

Trends

Sterke toename in de periode 1999-2006.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Small Red Damsel, Small Red Damselfly
Duitse naam
Späte Adonislibelle
Franse naam
Agrion délicat
Toelichting wetenschappelijke naam

Ceriagrion=afgeleid van de typesoort cerinorubellum, destijds zo genoemd vanwege de gelijkenis met de soorten rubella en cerinum; cerinum komt van (Gr.) keros (was) of kerinos (van was), aangevuld met achtervoegsel agrion; agrion is vermoedelijk afgeleid van (Gr.) agrios (wild, landelijk) of agreus (jager); veel gebruikt achtervoegsel voor juffers
(L.) tenellum=tenger, teder, fijntjes; verkleinwoord van tener (slank, teer, fijn)

Auteursnaam en jaartal
(de Villers, 1789)
Vormen

Aan de hand van de hoeveelheid zwart op het achterlijf worden vrouwtjes ingedeeld in vier vormen. Van meest rood naar meest zwart zijn dit: erythrogastrum, intermedium, typica en melanogastrum.


Nieuws

Geen resultaten.

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie waterjuffers (Coenagrionidae)

kanaaljuffer
Erythromma lindenii

tengere grasjuffer
Ischnura pumilio

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum

lantaarntje
Ischnura elegans

kleine roodoogjuffer
Erythromma viridulum

vuurjuffer
Pyrrhosoma nymphula

alle soorten uit deze familie