Leefwijze en gedrag

Leven onder water

Eten en gegeten worden

Libellen leven het grootste deel van hun leven als larve onder water. Ze bevinden zich hier ergens halverwege de voedselketen: ze eten andere waterbeestjes, maar worden ook zelf door tal van dieren gegeten. Larven leven meestal goed verscholen tussen waterplanten, tussen bodemmateriaal of zelfs ondiep ingegraven in de bodem. Veel soorten zijn vooral 's nachts actief. Ze jagen vooral door stil te zitten en te wachten tot er een prooidiertje langskomt. Door deze aanpassingen vallen ze minimaal op voor zowel predatoren als prooidieren.

Larven van libellen leven onder water. Dit is de larve van een grote keizerlibel.

Bijzondere aanpassingen

Libellenlarven hebben bijzondere lichamelijke aanpassingen. Jufferlarven hebben drie langwerpige kieuwbladen aan het achterlijf (ook wel caudale lamellen genoemd), waarmee ze ademhalen en waarmee ze bij verstoring snel kunnen wegzwemmen. 'Echte' libellen hebben deze kieuwbladen niet en halen vooral zuurstof uit het water dat zich in het laatste deel van hun darmen bevindt. Bij verstoring kunnen ze dit water snel naar buiten spuiten, waardoor ze een stukje wegschieten.

Een andere bijzondere aanpassing is het vangmasker: een soort uitklapbare grijparm aan de onderkant van de kop. Prooidiertjes die vlak voor de kop van een libellenlarve zwemmen, kunnen razendsnel met het vangmasker worden gegrepen.

Verder hebben larven lichamelijke aanpassingen voor de omgeving waarin zij leven. Larven van rombouten leven bijvoorbeeld ingegraven in de bodem. Hiervoor hebben ze een afgeplat lijf en korte poten met borstelharen, waarmee ze goed kunnen graven. Glazenmakers en witsnuitlibellen daarentegen, leven doorgaans tussen waterplanten. Hun lichaam is niet afgeplat en ze hebben langere poten, waarmee ze zich makkelijk tussen de planten kunnen voortbewegen. Libellenlarven die in visrijk waterleven, hebben vaak scherpe dorentjes aan het achterlijf, waardoor ze minder makkelijk eetbaar zijn voor vissen.

Larven van rombouten leven ingegraven onder water. Foto: rivierrombout,
Larven van glazenmaker en witsnuitlibellen leven onder water. Hier de bruine glazenmaker.

Leven in de lucht

Het laatste levensstadium brengen libellen door als imago's: gevleugelde insecten die op het land en in de lucht leven. Hoewel dit stadium veel korter duurt dan het larvale stadium, vervullen imago's twee belangrijke functies in de levenscyclus: voortplanting en verspreiding.an plaatsvinden.

Jagen en geslachtsrijp worden

Na het uitsluipen zijn imago’s niet direct geslachtsrijp. Ze moeten eerst voldoende energiereserves opbouwen voor ze aan de voortplanting kunnen deelnemen. Ze doen dit door te jagen op allerlei vliegende insecten. Dit kan in de buurt zijn van het water, maar ook op beschutte en insectenrijke plaatsen verder van het water. De prooi wordt in de lucht gegrepen met de poten, die als een soort vangkorfje worden gebruikt. Vervolgens wordt de prooi naar de bek gebracht en in de lucht of zittend in de vegetatie opgegeten.

De periode waarin imago’s geslachtsrijp worden (de maturatiefase) duurt een tot enkele weken, afhankelijk van de soort en de weersomstandigheden.

Zwerven

Sommige soorten vertonen in de maturatiefase een sterke neiging tot zwerven, waarbij ze op zoek gaan naar nieuwe geschikte voortplantingslocaties. Ook voor soorten die niet uitgebreid zwerven is het belangrijk om regelmatig andere gebieden te bereiken, zodat uitwisseling van genetisch materiaal tussen verschillende populaties kan plaatsvinden.

Voorplanting

Territoriaal gedrag

Na de maturatiefase komt de reproductiefase: de periode waarin de voortplanting plaatsvindt. De imago’s zijn nu niet meer juveniel, maar adult. Mannetjes zijn doorgaans eerder geslachtsrijp dan vrouwtjes en keren iets eerder terug naar het water voor de voortplanting. 

Bij de meeste soorten proberen de mannetjes een gebiedje langs de waterkant te veroveren en te beschermen: een territorium. Vaak zijn dit gebiedjes die extra geschikt zijn voor het afzetten van eitjes. Andere mannetjes die in het territorium komen, worden verjaagd en dat geldt soms ook voor libellen van andere soorten. Vrouwtjes die zich in de buurt van het territorium wagen, worden onmiddellijk gegrepen voor de paring.

De territoria die mannetjes bezetten zijn tijdelijk van aard en minder vast begrenst dan bijvoorbeeld bij vogels. Sommige soorten verdedigen hun gebiedje door eindeloos op en neer te patrouilleren, andere soorten door vanaf een zitpost langs de waterkant korte uitvallen naar andere libellen te maken.

Bij een toenemende dichtheid van mannetjes worden de territoria meestal kleiner en soms vervalt het territoriale gedrag geheel. Ook zijn er soorten (vooral juffers) die nooit een territorium innemen, maar al vliegend door de oevervegetatie op zoek gaan naar vrouwtjes. 

Deze twee donkere waterjuffers vormen een 'tandem'.

Paren

De paring verloopt bij libellen niet zachtzinnig. Vrouwtjes die zich in de buurt van het water wagen, worden direct door een mannetje gegrepen voor de paring. Dit doet hij door met zijn achterlijfsaanhangselen het vrouwtje beet te pakken bij het halsschild (juffers) of achter de kop (libellen). Vaak gaat dit gepaard met een worsteling in de lucht. Als het mannetje hierin slaagt ontstaat de zogenaamde tandempositie, waarbij het vrouwtje dus achter het mannetje aanbungelt. Samen vliegen ze verder, om de paring in bomen of in de oevervegetatie te voltooien. Bij sommige soorten wordt de paring in de lucht voltooid.

In de volgende fase van de paring ontstaat het kenmerkende, hartvormige paringsrad (ook wel copula genoemd): het vrouwtje brengt haar achterlijfspunt naar de onderkant van het achterlijf van het mannetje, vlak achter het borststuk. Hier bevindt zich namelijk het secundaire geslachtorgaan van het mannetje, waar een spermapakketje ligt opgeslagen. Dit spermapakketje heeft het mannetje zelf overgebracht van het primaire geslachtsorgaan (in de achterlijfspunt), naar het secundaire geslachtsorgaan. Als het paringsrad tot stand is gekomen vindt de uitwisseling van sperma plaats. Echter niet voordat het mannetje het sperma van een eventueel vorig mannetje uit het lichaam van het vrouwtje heeft gehaald, met behulp van een speciaal borstelvormig orgaantje in het secundair geslachtsorgaan.

Vrouwtjes lijken weerloos tegen het paringsgeweld van het mannetje, maar schijn bedriegt. Vrouwtjes die niet tot paring bereid zijn, slagen er meestal wel in om de tandempositie of copula te verbreken. Ook wanneer het sperma van een vorig mannetje wordt verwijderd, kan het vrouwtje toch een deel van het sperma achterhouden en dus bepalen welk mannetje haar eitjes bevrucht.

Ei-afzet

Na de paring worden de bevruchte eitjes afgezet op geschikte plaatsen in of vlakbij het water. Er bestaan verschillende varianten waarin dit kan gebeuren. Bij sommige soorten blijft het mannetje in tandempositie aan het vrouwtje verbonden en begeleidt haar zodanig bij de ei-afzet. Hierbij heeft hij maximale zekerheid (maar geen absolute) dat het vrouwtje niet meer met een ander mannetje zal paren en de eitjes door zijn sperma worden bevrucht. Het nadeel is natuurlijk dat hij in de tussentijd niet zelf op zoek kan gaan naar een nieuw vrouwtje. Een tweede methode die door sommige soorten wordt gevolgd, is dat het vrouwtje in haar eentje de eitjes afzet, maar daarbij wordt bewaakt door het mannetje dat vlak boven haar blijft vliegen om andere mannetjes te verjagen. Tot slot zijn er soorten waarbij het vrouwtje geheel solitair de eitjes afzet, niet zelden op een tijdstip dat er weinig mannetjes bij het water aanwezig zijn en ze ongestoord haar gang kan gaan. Wanneer mannetjes bij de begeleiding van het vrouwtje verstoord worden, gaat het vrouwtje overigens in alle gevallen solitair verder met de ei-afzet.

Er is ook variatie in de plek waar de eitjes worden afgezet. Juffers en glazenmakers zetten hun eitjes af in waterplanten (endofytische ei-afzet). Andere soorten prikken hun eitjes in de waterbodem (bronlibellen) of zetten ze af aan het wateroppervlak of op de oever (exofytische ei-afzet).

Alles over libellen