zwartsprietdikkopje Thymelicus lineola

Het zwartsprietdikkopje breidt zich uit, maar de aantallen vlinders op de vliegplaatsen nemen af.
Familie
dikkopjes (HESPERIIDAE)
Onderfamilie
Hesperiinae / Thymelicus lineola
Groep
Dagvlinder
Hoe moeilijk te herkennen
(goed op gelijkende soorten letten)
Zeldzaamheid

Een algemene standvlinder die vrijwel overal voorkomt, alleen wat schaarser in delen van het rivierengebied, de Flevopolders, het Utrechts veenweidegebied en in Noord-Holland.

Rode lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken vlinder

Voorvleugellengte: 12-14 mm. De vleugels zijn lichtbruin tot geel zonder tekening op de bovenkant van de vleugels. De geurstreep van het mannetje loopt evenwijdig aan de aders op de voorvleugel. Op de onderkant van de voorvleugel heeft de vleugelpunt dezelfde kleur als de rest van de vleugel. De onderkant van de sprietknop is zwart. Raadpleeg onze determinatiehulp voor meer details.

Kenmerken rups

Tot 20-24 mm. Het lijf is grasgroen met witachtig groene lijnen en dus lijkt hij sterk op T. sylvestris. Toch goed daarvan te onderscheiden door de duidelijke bruine en witte strepen boven op de kop.

Gelijkende soorten vlinder

Zie het geelsprietdikkopje. Raadpleeg onze determinatiehulp voor meer details.

geelsprietdikkopje
Thymelicus sylvestris
HESPERIIDAE: Hesperiinae

Gelijkende soorten rups

Geelsprietdikkopje (Thymelicus sylvestris), bont dikkopje (Carterocephalus palaemon) en spiegeldikkopje (Heteropterus morpheus).
N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).

geelsprietdikkopje
Thymelicus sylvestris
HESPERIIDAE: Hesperiinae

bont dikkopje
Carterocephalus palaemon
HESPERIIDAE: Hesperiinae

spiegeldikkopje
Heteropterus morpheus
HESPERIIDAE: Hesperiinae

Levenscyclus

Rups: half april-half juli. Vanuit een zelfgemaakt kokertje zoekt de rups zijn voedsel. De verpopping vindt plaats in een cocon van bladeren aan de basis van de waardplant. De platte, witte eieren worden in kleine groepjes afgezet in bladscheden van breedbladige grassen. De soort overwintert als ei.

ei-afzet
Bij het afzetten van de eitjes oriënteert het vrouwtje zich op de niet beschaduwde delen van ruigten. Zodra zij op een geschikte waardplant (een breedbladige grassoort) is geland, loopt ze langs de stengel naar beneden. Vervolgens gaat ze weer langzaam naar boven, waarbij het achterlijf op vijftien tot twintig centimeter van de grond in de bladschede van een dorre stengel wordt gestoken. Daarin worden de platte, witte eitjes in strengen van vier of vijf afgezet, waar ze ook overwinteren. Ook kan het voorkomen dat eitjes tussen de (verdorde) bloeiwijze worden gelegd. Als een eitje valt kan het ook in de strooisellaag overwinteren.

rups en verpopping
In april komt de rups uit en spint meteen een kokertje van een blad. Vanuit dat kokertje voedt de rups zich met malse grassprieten. In juni spint de rups een cocon van bladeren, meestal aan de basis van de waardplant waarin de verpopping plaatsvindt.

vlinders
De vlinders voeden zich met nectar van verschillende kruiden zoals slangenkruid, akkerdistel of moerasrolklaver. De mannetjes houden laag boven de vegetatie patrouillevluchten. Omdat een vrouwtje gewoonlijk maar één keer paart, trachten mannetjes als eerste bij haar te zijn. Mannetjes vliegen al bij lagere temperaturen dan vrouwtjes. Een mannetje dat bij minder gunstige weersomstandigheden kan vliegen, heeft een grotere kans een vrouwtje te vinden. Vrouwtjes komen 's ochtends uit de pop en paren vaak al terwijl ze nog opdrogen. Mannetjes baltsen met vrouwtjes die kunnen vliegen in een golvende vlucht, waarna de paring plaatsvindt op een grasspriet. Vrouwtjes die al hebben gepaard, weigeren nog eens te paren. Vrouwtjes zonnen meer dan mannetjes. Mannetjes worden vaker drinkend bij modderpoelen, waterkanten of uitwerpselen waargenomen. Dat doen ze om hun zoutvoorraad aan te vullen. Tijdens de paring geeft het mannetje namelijk ongeveer een derde van zijn zoutvoorraad via het sperma aan het vrouwtje door, wat nodig is voor de ontwikkeling van de eitjes. De dichtheid van vlinders op de vliegplaatsen is hoog tot zeer hoog, zo'n 60 tot 170 vlinders per hectare.

Waardplanten

Verschillende grassoorten waaronder gladde witbol, kropaar, timoteegras en kweek, die groeien op zonnige plaatsen.

Habitat

Graslanden en ruigten met overjarige grassen en nectarrijke kruiden. Vaak langs bosranden, in bermen en op dijken.

Vliegtijd en gedrag

Eind juni-eind augustus in één generatie. De vlinders besteden veel tijd aan het drinken van nectar. Belangrijke nectarplanten zijn slangenkruid, akkerdistel en moerasrolklaver. De mannetjes worden ook vaak drinkend bij modderpoelen, waterkanten of uitwerpselen waargenomen.

De uiterste data waarop vlinders zijn gezien, zijn 30 maart en 13 oktober.

Mobiliteit

Het zwartsprietdikkopje is een mobiele vlinder. Ook passieve verspreiding komt voor. In Canada is de soort rond 1910 per ongeluk geïntroduceerd en vormt nu een plaag op timoteegras. De soort is daar razendsnel verspreid als eitje in hooibalen.

Regionaal

De Nederlandse verspreiding is nauwelijks veranderd in de periode 1900 - 1990, maar tussen 1995 en 2003 breidde de soort zich uit in het zeekleigebied en in Brabant, Limburg en Gelderland.
Nu is het een algemene standvlinder die vrijwel overal voorkomt, alleen wat schaarser in delen van het rivierengebied, de Flevopolders, het Utrechts veenweidegebied en in Noord-Holland.

Mondiaal

Het zwartsprietdikkopje komt voor van het Iberisch schiereiland tot Oost-Azië en Noord-Amerika en van Zuid-Scandinavië tot Noord-Afrika.

Trend op lange en korte termijn
Onderstaande diagrammen tonen de veranderingen van de talrijkheid in de loop van de tijd. De gegevens zijn afkomstig uit het Landelijk Meetnet Vlinders (CBS / De Vlinderstichting).


Uit het Landelijk Meetnet Vlinders blijkt dat de aantallen van het zwartsprietdikkopje een sterke afname vertonen. Dit is merkwaardig: terwijl er op de vliegplaatsen minder individuen vliegen, werd het verspreidingsgebied groter.
Het is nog onduidelijk of de huidige uitbreiding van het zwartsprietdikkopje blijft doorgaan of dat de aantallen op de vliegplaatsen juist verder achteruit blijven gaan. Voorlopig blijft het een algemene standvlinder.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in het waarnemingbestand Noctua. Hoe die berekeningen worden uitgevoerd staat te lezen op de pagina De berekeningen.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Zeldzaamheid
Trends


Uit het Landelijk Meetnet Vlinders blijkt dat de aantallen van het zwartsprietdikkopje een sterke afname vertonen. Dit is merkwaardig: terwijl er op de vliegplaatsen minder individuen vliegen, werd het verspreidingsgebied groter.
Het is nog onduidelijk of de huidige uitbreiding van het zwartsprietdikkopje blijft doorgaan of dat de aantallen op de vliegplaatsen juist verder achteruit blijven gaan. Voorlopig blijft het een algemene standvlinder.

Aanbevolen beheersmaatregel

De soort behoeft geen speciale beschermingsmaatregelen. Plaatselijke vlindervriendelijke maatregelen kunnen de stand bevorderen. Dat kan door:

  • een deel van de ruigere vegetaties in de winter te laten overstaan, zodat de eitjes ongestoord kunnen ontwikkelen. Ook de rupsen ontwikkelen zich het beste in ruige vegetaties. Daarom heeft extensieve begrazing of een gefaseerd maaibeheer de voorkeur boven intensieve beheervormen (zie ook bij geelsprietdikkopje).
  • te zorgen voor voldoende aanbod van nectar tijdens de vliegtijd. Het zwartsprietdikkopje heeft een hoge nectarbehoefte. In de maanden juli en augustus moeten voldoende nectarrijke kruiden in bermen, dijken en graslanden bloeien.
Engelse naam
Essex Skipper
Duitse naam
Schwarzkolbiger Dickkopffalter, Schwarzkolbiger Braundickkopffalter
Franse naam
Le Ligné
Oud Nederlandse naam
bruin dikkopje, geel dikkopje, klein dikkopje
Synoniemen
Adopoea lineola, Hesperia lineola, Adopaea lineola
Toelichting wetenschappelijke naam

Thymelicus: thumelikos = een koorlid in Griekse drama's. Het koor werd gevormd door de dansers en de naam heeft relatie met de levendige manier van vliegen van de vlinders.
lineola: lineola is een verkleining van linea, een streepje dus. Dat streepje is het kenmerk van het mannetje.

Auteursnaam en jaartal
(Ochsenheimer, 1808)

Soorten uit dezelfde familie dikkopjes (HESPERIIDAE)

dwergdikkopje
Thymelicus acteon

geelsprietdikkopje
Thymelicus sylvestris

kalkgraslanddikkopje
Spialia sertorius

spiegeldikkopje
Heteropterus morpheus

bretons spikkeldikkopje
Pyrgus armoricanus

aardbeivlinder
Pyrgus malvae

alle soorten uit deze familie