groot dikkopje Ochlodes sylvanus

Het groot dikkopje is een mobiele soort die leeft in allerlei beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten.
Familie
dikkopjes (HESPERIIDAE)
Onderfamilie
Hesperiinae / Ochlodes sylvanus
Groep
Dagvlinder
Hoe moeilijk te herkennen
(goed tot redelijk goed te determineren)
Zeldzaamheid

Een algemene standvlinder. De soort vliegt op de zand- en veengronden en in grote delen van de duinen. Op de meeste kleigronden ontbreekt hij en op de Waddeneilanden en in Zuid-Limburg is hij wat schaarser.

Rode lijst
gevoelig

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

Kenmerk: Voorvleugellengte: 12-15 mm. De onderkant van de achtervleugel is geelachtig, met duidelijke lichte vlekken. Het mannetje heeft op de bovenkant van de voorvleugel een duidelijke geurstreep in de vorm van een langgerekte S. Het groot dikkopje heeft geen kommavlek. Raadpleeg onze determinatiehulp voor meer details.

Uiterlijk Carter: Tot 28 mm; een vrij forse rups waarvan het lichaam naar beide uiteinden smal toeloopt; blauwachtig groen met een donkere streep over het midden van de rug en een geelachtige streep over de spiracula; de grote kop is zwart met zwakke bruine tekening.

Gelijkende soorten vlinder

Zie de kommavlinder. Raadpleeg onze determinatiehulp voor meer details.

Gelijkende soorten vlinder

kommavlinder
Hesperia comma

Levenscyclus

Rups: eind juli-eind juni. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in een stevig kokertje dat bestaat uit samengesponnen bladeren. De verpopping vindt plaats in een cocon tussen grassprieten dicht bij de grond. De eieren worden meestal afgezet op beschutte plaatsen in een vrij hoge grazige vegetatie.

ei-afzet
Een vrouwtje dat op zoek is naar een geschikte plaats om de eitjes af te zetten, vliegt laag boven de vegetatie. Wanneer een geschikte plant is gevonden, gaat ze op een van de buitenste bladeren zitten en zet aan de onderzijde één eitje af. De meeste eitjes worden afgezet op beschurte plaatsen in een vrij hoge grazige vegetatie.

rups en verpopping
De rups eet na het uitkomen eerst de eischaal en bouwt vervolgens een koker door zijden draden van de ene naar de andere rand van het blad te spinnen. De binnenzijde van deze koker bekleedt hij met een laagje zijde. De rups kruipt alleen uit dit onderkomen om van de rand van de grasstengel te eten en keert er na iedere maaltijd weer in terug. Na elke vervelling maakt hij een nieuwe koker. Voor de overwintering spint de halfvolgroeide rups een stevig hibernaculum in een grasstengel. Dan zit de rups diep weggestopt in een dichtgevouwen blad. In het voorjaar eet de rups verder. Om zich te verpoppen spint hij vlak boven de grond een cocon tussen enkele grassprieten.

vlinders
De vlinders verschijnen vanaf midden juni. De dichtheid aan vlinders is hoog tot zeer hoog, tussen de 16 en meer dan IOO individuen per hectare. Ze voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel. Mannetjes wisselen patrouillevluchten af met het verdedigen van een territorium. Over het algemeen houden ze 's ochtends patrouillevluchten en verdedigen 's middags een territorium. Opvallend daarbij is dat ieder jaar min of meer dezelfde uitkijkposten worden gebruikt. Vooral geliefd zijn open zonnige plaatsen langs een bosrand of heg waar de waard- en nectarplanten staan. Om deze plaatsen wordt dan ook wel eens 'gestreden'. De vlucht tijdens zulke gevechten is zo snel, dat de vlinders nauwelijks te zien zijn, maar het ritselen van de vleugels is wel te horen. Wanneer een vrouwtje voorbijvliegt, maakt het mannetje een snelle baltsvlucht waarna beide vlinders in een boom of struik landen. Een vrouwtje dat door een mannetje wordt benaderd maar niet wil paren, trilt snel met de vleugels.

Waardplanten

Diverse grassen zoals breedbladige zwenkgrassen en beemdgrassen, kweek, witbol en pijpenstrootje.

Habitat

Habitat: Allerlei beschutte, vrij vochtige graslanden en ruigten, zoals vochtige heide met pijpenstrootje, grazige ruigten in graslanden, open plekken in bossen en langs bosranden.

Vliegtijd en gedrag

Begin juni-half augustus in één generatie. De vlinders voeden zich met nectar van onder andere gewone braam, dophei en akkerdistel. De mannetjes voeren 's morgens vaak patrouillevluchten uit. 's Middags vertonen ze territoriaal gedrag, vaak vanaf steeds dezelfde uitkijkposten.

De uiterste data waartussen vlinders zijn gezien, zijn 7 mei en 26 september.

Mobiliteit

Het groot dikkopje is een mobiele vlinder die in staat is over grote afstanden te zwerven.

Regionaal

Het verspreidingsgebied is in de loop van de twintigste eeuw nauwelijks veranderd.

Europa

Op Europese schaal is het groot dikkopje niet bedreigd en over het algemeen is het voorkomen stabiel.

Mondiaal

Het groot dikkopje komt voor van Noord-Spanje tot Oost-Azië en van Midden-Zweden en Engeland tot Spanje en Italië.

Trend op lange en korte termijn
Onderstaande diagrammen tonen de veranderingen van de talrijkheid in de loop van de tijd. De gegevens zijn afkomstig uit het Landelijk Meetnet Vlinders (CBS / De Vlinderstichting).


Tussen 1995 en 2003 is het aantal vliegplaatsen in het Landelijk Meetnet Vlinders met 14% afgenomen en blijkt lokaal sprake van een sterke afname terwijl de verspreiding vrijwel gelijk is gebleven.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in het waarnemingbestand Noctua. Hoe die berekeningen worden uitgevoerd staat te lezen op de pagina De berekeningen.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Zeldzaamheid
Trends


Tussen 1995 en 2003 is het aantal vliegplaatsen in het Landelijk Meetnet Vlinders met 14% afgenomen en blijkt lokaal sprake van een sterke afname terwijl de verspreiding vrijwel gelijk is gebleven.

Aanbevolen beheersmaatregel

In Nederland is het groot dikkopje voorlopig een algemene standvlinder waarvoor (nog) geen speciale beschermingsmaatregelen nodig zijn. Een gefaseerd maaibeheer van graslanden nabij struwelen en bosranden zal het voorkomen bevorderen. Het is gewenst een deel van de vegetatie te laten overstaan; de rups overwintert doorgaans in een grasstengel. Het is gunstig als er omstreeks juli voldoende nectarplanten zijn.

Toekomst
Het groot dikkopje is over de hele twintigste eeuw stabiel gebleven, maar neemt recent in aantal af. De reden hiervoor is onbekend. Vermoedelijk neemt de soort in de toekomst verder af.

Engelse naam
Large Skipper
Duitse naam
Rostfarbiger Dickkopffalter
Franse naam
Le Sylvain
Oud Nederlandse naam
bosdikkopje, bruin dikkopje, gevlekt dikkopje
Synoniemen
Hesperia sylvanus, Augiades sylvanus, Ochlodes faunus, Ochlodes venata
Auteursnaam en jaartal
(Esper, 1777)
Ondersoorten

Hesperia, Augiades sylvanus Esper, 1777, nec Drury, 1773
Ochlodes faunus Turati, 1905
Ochlodes venata auct., nec Bremer & Gray, 1853

Tijdschriften

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie dikkopjes (HESPERIIDAE)

bruin dikkopje
Erynnis tages

kalkgraslanddikkopje
Spialia sertorius

rood spikkeldikkopje
Pyrgus cirsii

kaasjeskruiddikkopje
Carcharodus alceae

groot dikkopje
Ochlodes sylvanus

bretons spikkeldikkopje
Pyrgus armoricanus

alle soorten uit deze familie