boomblauwtje Celastrina argiolus

Op ooghoogte fladderend langs klimop of hulst in de tuin is het boomblauwtje met geen andere soort te verwarren.
Familie
blauwtjes (LYCAENIDAE)
Onderfamilie
Lycaeninae / Celastrina argiolus
Groep
Dagvlinder
Hoe moeilijk te herkennen
(goed tot redelijk goed te determineren)
Zeldzaamheid

Een algemene standvlinder die verspreidt over het hele land voorkomt.

Rode lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

Kenmerk: Voorvleugellengte: circa 14 mm. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje waterig lichtblauw met smalle zwarte randen en bij het vrouwtje lichtblauw met brede tot zeer brede zwarte randen. De onderkant van de vleugels is zilvergrijs met kleine zwarte stippen. De achtervleugel heeft geen oogvlekken en geen staartje.

Uiterlijk Carter: Tot 13 mm; vrij dik, naar de uiteinden versmald; lichaam groen of geelachtig groen met onder de spiracula een witachtige lengtestreep; sommige vormen hebben een aantal witachtige, driehoekige vlekjes, die in een purperachtige of roze-achtige middenstreep over de rug liggen; soms is de rups geheel purperachtig roze van kleur; kop zwart, in het lichaam teruggetrokken.

Gelijkende soorten vlinder

Zie het staartblauwtje.

Gelijkende soorten vlinder

staartblauwtje
Cupido argiades

Levenscyclus

Rups: half mei-eind juni en begin augustus-eind september. Jonge rupsen eten van de bloemknoppen of de vruchten van de waardplant, grotere rupsen eten soms ook van de bladeren. De verpopping vindt plaats in de strooisellaag of in een schorsspleet; de soort overwintert als pop. De eieren worden één voor één afgezet op de bovenste takken van de waardplant.

ei-afzet
De eitjes worden afgezet bij de bloemknoppen of de jonge vruchten. Hierdoor verschilt de keuze van de waardplant tussen de verschillende generaties: in het voorjaar worden de eitjes vooral afgezet op sporkehout en hulst, in de zomer met name op klimop, vlinderstruik, struikhei en grote kattenstaart. Ook worden wel eens andere planten gebruikt, soms zelfs ongeschikte soorten. De rupsen sterven op sneeuwbes, en op blauwe regen kunnen ze niet volgroeien omdat de bloemen te snel afvallen en dus geen vruchten vormen.
Vrouwtjes die eitjes afzetten fladderen langzaam rondom de waardplanten. Meestal worden de eitjes afgezet op markante planten die op warme en zonnige plaatsen groeien, bijvoorbeeld in een bosrand. Meestal zet het vrouwtje de eitjes een voor een af op een van de bovenste takken. Het komt geregeld voor dat ze verschillende eitjes op dezelfde struik afzet.

rups en verpopping
De jonge rupsen maken een klein rond gaatje in de bloemknop of vrucht en voeden zich met de inhoud. Van enkele planten kan de rups in het laatste stadium ook de bladeren eten, zoals van sporkehout. De rups wordt tamelijk vaak bezocht door allerlei mierensoorten, zoals kleine schubmieren Lasius spp., grote schubmieren Formica spp. en steekmieren Myrmica spp.. Deze mieren likken een zoete stof op die de rups uitscheidt en beschermen hem tegen belagers. Kort voor de verpopping verlaat de rups de waardplant en loopt, soms nog twee dagen, over de bodem voordat hij zich inspint om zich te verpoppen. De pop bevindt zich meestal tussen de bladeren in de strooisellaag of in schorsspleten. De soort overwintert als pop.

vlinders
Al in april vliegen de eerste vlinders. Het aantal individuen op de vliegplaatsen is doorgaans vrij hoog, circa 6 tot 28 individuen per hectare. Volwassen vlinders voeden zich met honingdauw, sap van bloedende bomen maar ook nectar van bloemen van struiken en kruiden. Soms worden ze ook drinkend bij uitwerpselen of plassen gezien. Doorgaans zijn de vlinders hoog in struik- of boomtoppen te vinden.

Waardplanten

Sporkehout, wegedoorn, klimop, grote kattenstaart, struikhei, hulst en vlinderstruik.

Habitat

Habitat: Het boomblauwtje leeft bij allerlei struwelen in bossen, tuinen, parken en het agrarisch gebied. De hoogste dichtheid aan vlinders wordt gevonden bij struwelen in vochtige heidevelden.

Vliegtijd en gedrag

Eind maart-begin juni en half juni- begin oktober in twee of drie, elkaar overlappende generaties. De vlinders voeden zich met honingdauw, sap van bloedende bomen en nectar; soms worden ze drinkend bij plassen of uitwerpselen gezien. De vlinders vliegen meestal vrij hoog in de toppen van bomen en struiken.

De uiterste vliegdata zijn 8 maart en 28 oktober.

Mobiliteit

Het boomblauwtje is een mobiele vlinder die regelmatig zwerft. In Groot-Brittannië is zelfs trek van deze soort waargenomen.

Regionaal

In Nederland kwam het boomblauwtje aan het begin van de twintigste eeuw voor op de zand- en veengronden, vooral in bossen maar ook in het stedelijk gebied. De verspreiding is de afgelopen eeuw waarschijnlijk constant gebleven. Nu is het een algemene standvlinder die vooral in de bosachtige gebieden op de zandgronden wordt gevonden, maar ook midden in de stad. In open gebieden zoals de kleigronden van het rivierengebied, de Flevopolder en Noord-Holland is hij wat schaarser.

Europa

Ook op Europese schaal is het boomblauwtje niet bedreigd en het voorkomen is over het algemeen stabiel.

Mondiaal

Het boomblauwtje komt voor van Schotland tot Japan en Noord-Amerika en van Scandinavië tot Noord-Afrika.

Trend op lange en korte termijn
Onderstaande diagrammen tonen de veranderingen van de talrijkheid in de loop van de tijd. De gegevens zijn afkomstig uit het Landelijk Meetnet Vlinders (CBS / De Vlinderstichting).


De resultaten uit het Landelijk Meetnet Vlinders zijn te onzeker om conclusies te trekken over de trend van het boomblauwtje, maar het lijkt dat de soort min of meer stabiel blijft.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in het waarnemingbestand Noctua. Hoe die berekeningen worden uitgevoerd staat te lezen op de pagina De berekeningen.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Zeldzaamheid
Trends


De resultaten uit het Landelijk Meetnet Vlinders zijn te onzeker om conclusies te trekken over de trend van het boomblauwtje, maar het lijkt dat de soort min of meer stabiel blijft.

Aanbevolen beheersmaatregel

Voor het boomblauwtje zijn op landelijk niveau geen speciale beschermingsmaatregelen nodig. Op plaatselijk niveau zal de soort profiteren van het handhaven en aanleggen van houtwallen, hagen en gevarieerde bosranden. Daarin moeten dan ook de waardplanten zoals sporkehout en klimop en nectarplanten aanwezig zijn.
Het boomblauwtje blijft waarschijnlijk een algemene standvlinder.

Engelse naam
Holly Blue
Duitse naam
Faulbaumbläuling
Franse naam
l'Argus à Bande Noire
Oud Nederlandse naam
hulstblauwtje, klimopblauwtje, vuilboomblauwtje, zilverblauwtje
Synoniemen
Lycaena argiolus, Lycaenopsis argiolus, Cyaniris argiolus
Toelichting wetenschappelijke naam

Celastrina: kelastra = een struik, waarschijnlijk de hulst, de veronderstelde waardplant van deze soort.
argiolus: argiolus is een verkleinwoord van argus, kleiner dan de vorige soort in de lijst van vlindersoorten. Argiolus is dus kleiner dan P. icarus maar groter dan P. argus.

Auteursnaam en jaartal
(Linnaeus, 1758)

Soorten uit dezelfde familie blauwtjes (LYCAENIDAE)

rode vuurvlinder
Lycaena hippothoe

bleek blauwtje
Polyommatus coridon

grote vuurvlinder
Lycaena dispar

geraniumblauwtje
Cacyreus marshalli

heideblauwtje
Plebejus argus

bruin blauwtje
Aricia agestis

alle soorten uit deze familie