gentiaanblauwtje Phengaris alcon

Het gentiaanblauwtje is een vrij zeldzame soort van vochtige heide, waarvan de eitjes vaak gemakkelijker zijn te vinden dan de vlinders.
Familie
blauwtjes (LYCAENIDAE)
Onderfamilie
Lycaeninae / Phengaris alcon
Groep
Dagvlinder
Hoe moeilijk te herkennen
(goed op gelijkende soorten letten)
Zeldzaamheid

Een vrij zeldzame standvlinder die lokaal voorkomt op de zandgronden in Zuid-, Midden- en Noordoost-Nederland.

Rode lijst
bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken vlinder

Voorvleugellengte: circa 17 mm. Bij het mannetje is de bovenkant van de vleugels blauw zonder vlekken. Het vrouwtje is grijsbruin met onduidelijke vlekken en soms een blauwe bestuiving. De onderkant van de vleugels is licht grijsachtig bruin met twee rijen witomrande zwarte vlekken.

Gelijkende soorten vlinder

Zowel het mannetje als het vrouwtje van het pimpernelblauwtje heeft zwarte vlekken op de bovenkant van de vleugels; het vrouwtje is bovendien contrastrijker getekend. Zie ook het tijmblauwtje.

tijmblauwtje
Phengaris arion
LYCAENIDAE: Lycaeninae

pimpernelblauwtje
Phengaris teleius
LYCAENIDAE: Lycaeninae

Levenscyclus

Rups: begin augustus-begin juli. De jonge rups eet zich vanuit het eitje direct de bloem in en eet vooral van het vruchtbeginsel; het lege eitje blijft duidelijk zichtbaar achter op de bloemknop. Na een dag of tien laat de rups zich op de grond vallen en wacht tot hij wordt meegenomen door een bossteekmier (Myrmica ruginodis) of een moerassteekmier (M.scabrinodis). De soort overwintert als rups in het mierennest en daar vindt ook de verpopping plaats.

ei-afzet
Op zoek naar een geschikte plek om eitjes af te zetten, fladdert het vrouwtje laag boven de vegetatie. De eitjes worden afgezet op zowel grote als kleine knoppen. Uit de gegevens van Landelijk Meetnet Vlinders blijkt dat gemiddeld iets meer dan twee eitjes per knop worden afgezet. Soms zet een vrouwtje twee tot vier eitjes een voor een af op dezelfde plant, maar dit gebeurt waarschijnlijk alleen in geval van legnood, bijvoorbeeld door aanhoudend slecht weer. Soms leggen ook nog andere vrouwtjes de eitjes op dezelfde plant. Het maximaal aantal getelde eitjes op één knop is zelfs 81 eitjes. In het begin van de vliegtijd zetten de vrouwtjes de eitjes af op planten die dicht bij de nesten van de waardmier groeien. Later in het seizoen, als de gentianen op deze plaatsen vol met eitjes zitten, worden de eitjes ook op planten afgezet die verder van deze nesten groeien.

rups en verpopping
De rups eet zich vanuit het eitje direct de bloem in en voedt zich met de zachte delen, zoals het vruchtbeginsel. Het witte, lege hulsje van het eitje blijft echter nog lange tijd aanwezig en is eenvoudig te zien. Uit al deze eitjes groeien slechts enkele rupsen op tot het vierde stadium. Deze rupsen laten zich na circa tien dagen op de grond vallen en wachten daar tot ze worden gevonden door een bossteekmier Myrmica ruginodis of een moerassteekmier M. scabrinodis. De meeste rupsen laten zich vroeg in de avond vallen, want juist dan zijn de mieren het meest actief. De rups scheidt een stof af die de mier oplikt, waarna de rups wordt meegenomen naar het nest; de rups wordt vooral meegenomen omdat ze chemisch zeer sterk lijkt op een mierenlarve. Daar wordt hij behandeld als een eigen larve. Wanneer er eenmaal een rups in het nest is opgenomen, blijkt een volgende sneller te worden geaccepteerd. In het mierennest laat de rups zich voeden met mierenlarven, later ook met poppen (de zogenaamde ‘koekoekstrategie’). De rups verpopt zich het volgend voorjaar in dit nest. In één mierennest zijn maximaal twaalf volwassen rupsen of poppen gevonden.

vlinders
In juni of juli komt de vlinder vroeg in de ochtend uit de pop. Als er mieren actief zijn, vallen deze de vlinder agressief aan. Snel rent de verse vlinder uit het mierennest en klimt meteen in een takje of grasspriet, uit het zicht van de mieren. Dan pas worden de vleugels opgepompt.
Het aantal vlinders op de vliegplaatsen kan onder optimale omstandigheden vrij hoog zijn, tot 64 individuen per hectare, maar meestal worden slechts enkele vlinders waargenomen. Gentiaanblauwtjes voeden zich vooral met nectar van gewone dophei. Mannetjes houden karakteristieke, zigzaggende patrouillevluchten vlak boven de vegetatie. Als het mannetje een vrouwtje vindt, landt hij vlak naast haar. Er wordt nauwelijks gebaltst en de paring duurt ongeveer een uur. Als het vrouwtje niet wil paren, vliegt het mannetje al na enkele minuten weer verder.

Waardplanten

Klokjesgentiaan.

Habitat

Natte heide, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden.

In het gebied dienen open plekken aanwezig te zijn waar klokjesgentiaan groeit; gentianen die in een ruigere vegetatie groeien worden minder vaak gebruikt. Daarnaast is de soort afhankelijk van de aanwezigheid van de waardmieren. De bossteekmier bouwt haar nesten in hooggelegen en relatief droge, dichte en koele vegetaties. De moerassteekmier kiest juist lager gelegen, vochtige, open en warme plaatsen uit. Omdat het gentiaanblauwtje zowel afhankelijk is van de klokjesgentiaan als van de waardmier, moet het leefgebied op kleine schaal een afwisselende structuur hebben, met zowel open plekken voor de gentianen als oudere vegetaties met mierennesten. Een populatie moet de beschikking hebben over ten minste 500 bloeiende gentianen die in een hoge dichtheid (ca. 10-15 planten per 100 m2) groeien. Hierom moet het leefgebied minimaal 0,5 hectare groot zijn, bij voorkeur meer dan 5 hectare. Bovendien heeft het leefgebied een hoge grondwaterstand nodig maar het mag na de winter nooit langdurig onder water staan. Daarom kan de biotoop niet te klein zijn en is deze vaak onderdeel van een groter natuurgebied met een stabielere grondwaterstand.

Vliegtijd en gedrag

Half juni-eind augustus in één generatie. Net uitgekomen vlinders verlaten snel het mierennest, klimmen in een takje of grasstengel en beginnen dan pas met het oppompen van de vleugels. De vlinders voeden zich vooral met nectar van gewone dophei. De mannetjes houden karakteristieke, zigzaggende patrouillevluchten vlak boven de vegetatie.

De uiterste data waarop een vlinder is gezien, zijn 3 juni en 20 september.

Mobiliteit

Het gentiaanblauwtje is een honkvaste vlinder die nauwelijks zwerft. Zelden worden vlinders op meer dan enkele honderden meters van een vangplaats teruggevonden. Er zijn maar enkele voorbeelden van kolonisaties op grotere afstand van bekende populaties, zoals de kolonisatie van de Plateaux (NB) (dichtstbijzijnde populatie op 1700 meter) en van de Lankheet (Ov) (dichtstbijzijnde populatie op 800 meter). In Vlaanderen is mogelijk op zeven kilometer afstand een gebied gekoloniseerd en er heeft een populatie op Terschelling gevlogen.

Regionaal

In Nederland was het gentiaanblauwtje aan het begin van de twintigste eeuw een vrij algemene standvlinder van de zandgronden. Daarnaast vloog de soort op enkele plaatsen in de duinen, in Zuid-Limburg en het veenweidegebied. Tot 1965 lijkt het voorkomen van deze soort min of meer stabiel te zijn geweest. Tussen 1965 en 1980 verslechterde de stand snel en verdween ongeveer tweederde van de populaties. Zo verdween hij in deze periode uit de duinen en bij Zegveld (UT) en ging het sterk achteruit in het dal van de IJssel, de Gelderse Vallei, de beekdalen van Winterswijk, Salland, Midden-Twente en het Maasdal. In de jaren tachtig leek het voorkomen even stabiel maar sinds 1990 gaat de soort wederom snel achteruit. Tussen 1990 en 2000 verdwijnen ongeveer vijf à zes populaties per jaar en halveert de stand van bijna 160 in 1990 naar 90 populaties in 2000. Van deze 90 populaties bevinden zich 79 in vochtige heiden en slechts 11 in blauwgraslanden. Enkele hiervan hebben de beschikking over een leefgebied dat kleiner is dan 0,5 hectare en het moet worden gevreesd dat ook zij op korte termijn zullen verdwijnen. Het gentiaanblauwtje is nu nog een vrij zeldzame standvlinder.

Europa

De soort is ook in Europa kwetsbaar; de afgelopen 25 jaar is hij met 20 tot 50% achteruit gegaan. De soort staat op de Vlaamse, Waalse en Duitse Rode Lijst.

Mondiaal

Het gentiaanblauwtje komt voor van West-Spanje tot Mongolië en van Zuid-Zweden tot de Balkan.

Trend op lange en korte termijn
Onderstaande diagrammen tonen de veranderingen van de talrijkheid in de loop van de tijd. De gegevens zijn afkomstig uit het Landelijk Meetnet Vlinders (CBS / De Vlinderstichting) en de Nationale Databank Flora en Fauna.


Binnen het Landelijk Meetnet Vlinders wordt sinds 1997 het aantal eitjes van het gentiaanblauwtje geteld en blijkt dat hij sterk afneemt. Maar er zijn aanzienlijke verschillen tussen regio´s. In Zuid-Nederland is het voorkomen min of meer stabiel, op de Veluwe en in het oosten neemt de soort matig af en in het noorden gaat hij sterk achteruit.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Zeldzaamheid
Trends


Binnen het Landelijk Meetnet Vlinders wordt sinds 1997 het aantal eitjes van het gentiaanblauwtje geteld en blijkt dat hij sterk afneemt. Maar er zijn aanzienlijke verschillen tussen regio´s. In Zuid-Nederland is het voorkomen min of meer stabiel, op de Veluwe en in het oosten neemt de soort matig af en in het noorden gaat hij sterk achteruit.

Concrete bedreiging

De achteruitgang van deze soort heeft verschillende oorzaken:

  • In de eerste plaats verslechtert de kwaliteit van het leefgebied door verdroging, verzuring en vermesting. Hierdoor groeien de open terreinen dicht en kan het zaad van de klokjesgentiaan niet meer ontkiemen.
  • In de tweede plaats liggen veel overgebleven populaties geïsoleerd. Het gentiaanblauwtje is een honkvaste vlinder die slecht in staat is nieuw gebied te koloniseren of individuen met andere populaties uit te wisselen.
  • In de derde plaats werden niet de juiste beheermaatregelen uitgevoerd op de plaatsen waar de soort nog voorkwam. Door grootschalig plaggen of door een bestaande vliegplaats langdurig onder water te zetten, verdwijnen de mierennesten en dus de vlinder. Brede geplagde stroken zijn nog lange tijd ongeschikt omdat de gentianen en de mieren relatief veel tijd nodig hebben om zich daar te vestigen. In blauwgraslanden is de soort op een aantal plaatsen verdwenen omdat er te vroeg werd gemaaid. De graslanden waarin de soort leeft, mogen pas na half september worden gemaaid; pas dan zit de rups in het nest van de waardmier.
Aanbevolen beheersmaatregel

Voor het behoud van deze soort is het wenselijk dat de volgende maatregelen worden genomen:

  • Het huidige leefgebied moet behouden blijven. Door vergrassing, verruiging, verdroging of te intensief beheer verdwijnt nog steeds geschikt leefgebied. Beheer van deze natte heiden en blauwgraslanden is noodzakelijk, maar de maatregelen moeten kleinschalig worden uitgevoerd, zodat de variatie in de vegetatiestructuur behouden blijft. Geschikte beheermaatregelen zijn in natte heidevelden bijvoorbeeld kleinschalig plaggen (in combinatie met bekalking), extensieve begrazing (door runderen of gehoede schapen) en het verwijderen van opslag. Blauwgraslanden kunnen na half september worden gemaaid (waarna het maaisel moet worden afgevoerd). Nabeweiding kan in zulke graslanden gewenst zijn.

 

  • Het huidige leefgebied moet op veel plaatsen natter worden. Herstel van het oorspronkelijke grondwaterregime is vaak noodzakelijk. Maar de waterstand mag niet te snel worden verhoogd. De soort leeft vaak in de smalle zone tussen dras en nat en in verdroogde terreinen leeft de vlinder vooral nog in de laagste delen. Als de waterstand snel omhoog wordt gebracht, lopen deze delen onder, zodat de mieren zich niet naar de hogere delen kunnen verplaatsen en verdrinken. Het is dus wenselijk dat het waterpeil over een periode van jaren geleidelijk wordt verhoogd.

 

  • Aanleggen van verbindingen tussen geschikte gebieden. Omdat het gentiaanblauwtje weinig zwerft, mag de afstand tussen geschikte leefgebieden hoogstens enkele kilometers zijn.

Toekomst
Wanneer bovenstaande maatregelen worden uitgevoerd, zijn er goede kansen voor een duurzaam behoud van het gentiaanblauwtje. Met name in de grotere, aaneengesloten (natuur)gebieden liggen mogelijkheden. Kleinere populaties liggen vaak te geïsoleerd. Zij zullen nog enige tijd kunnen overleven, maar op den duur verdwijnen. Te verwachten valt dan ook dat deze soort nog op veel plaatsen zal verdwijnen, maar behouden blijft in een aantal grotere natuurgebieden.

Engelse naam
Alcon Blue
Duitse naam
Kleiner Moorbläuling, Lungenenzian-Ameisen-Bläuling
Franse naam
l'Azuré des mouillères, Argus protée, Argus bleu marine
Synoniemen
Maculinea alcon, Lycaena alcon, Glaucopsyche alcon
Auteursnaam en jaartal
(Denis & Schiffermüller, 1775)

Tijdschriften

Soorten uit dezelfde familie blauwtjes (LYCAENIDAE)

groentje
Callophrys rubi

tijmblauwtje
Phengaris arion

grote vuurvlinder
Lycaena dispar

bruin blauwtje
Aricia agestis

eikenpage
Favonius quercus

heideblauwtje
Plebejus argus

alle soorten uit deze familie