kleine voorjaarsspanner Agriopis leucophaearia

De mannetjes van de kleine voorjaarsspanner vliegen vanaf begin januari; de vrouwtjes kunnen niet vliegen.
Familie
spanners (GEOMETRIDAE)
Onderfamilie
Ennominae / Agriopis leucophaearia
Groep
Nachtvlinder die nachtactief is
Hoe moeilijk te herkennen
(goed tot redelijk goed te determineren)
Zeldzaamheid

Zeer algemeen. Komt vooral voor op de zandgronden in het binnenland en in de duinen; elders schaars of ontbrekend. RL: niet bedreigd.

Rode lijst
niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

Kenmerk: Voorvleugellengte: 14-17 mm. Het mannetje onderscheidt zich van verwante soorten door zijn geringere grootte. De voorvleugels hebben de vorm van een driehoek met afgeronde vleugelpunten en een flauwe knik in de voorrand. Het patroon op de vleugel is variabel (zie de verschillende foto's in het fotoalbum). De gekromde binnenste en de golvende buitenste dwarslijn zijn vaak donker gekleurd en steken duidelijk af tegen de wit- of bruinachtige ondergrond. Soms vormen deze lijnen de begrenzing van een donker wortelveld en een nagenoeg donker zoomveld. Bij sommige exemplaren is de hele voorvleugel effen donkerbruin; een zwart halvemaantje (dat bij de andere vormen deel uitmaakt van de buitenste dwarslijn) valt bij deze exemplaren op. Het vrouwtje is donkergrijs of zwartachtig en heeft slechts heel kleine vleugelstompjes.

Gelijkende soorten vlinder

Zie de voorjaarsboomspanner (Alsophila aescularia). Het vrouwtje van de kleine wintervlinder (Operophtera brumata) is even groot, heeft dezelfde kleur en is soms ook in januari of februari te vinden, maar heeft iets grotere vleugelstompjes. Vrouwtjes van andere soorten spanners met onontwikkelde vleugels zijn groter of hebben grotere vleugelstompjes.

Gelijkende soorten vlinder

voorjaarsboomspanner
Alsophila aescularia

kleine wintervlinder
Operophtera brumata

Gelijkende soorten rups

Voorjaarsboomspanner (Alsophila aescularia) en kleine wintervlinder (Operophtera brumata). De drie soorten kunnen massaal tegelijkertijd aanwezig zijn. De rupsen van de voorjaarsboomspanner zijn van de andere twee te onderscheiden door een onvolledig ontwikkeld paar poten aan het achtste lichaamssegment.
Lijkt ook op de geringde spikkelspanner (Cleora cinctaria), berkenspikkelspanner (Aethalura punctulata), meidoornspanner (Theria primaria) en late meidoornspanner (Theria rupicapraria).
N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).

voorjaarsboomspanner
Alsophila aescularia

late meidoornspanner
Theria rupicapraria

kleine wintervlinder
Operophtera brumata

berkenspikkelspanner
Aethalura punctulata

meidoornspanner
Theria primaria

geringde spikkelspanner
Cleora cinctaria

Levenscyclus

Rups: april-juni. De soort overwintert als pop in de grond.

Waardplanten

Eik.

Habitat

Habitat: Oude volgroeide eikenbossen en struwelen met oude eiken; ook parken, boomgaarden en tuinen.

Vliegtijd en gedrag

Begin januari-half april in één generatie. Soms verschijnen de eerste vlinders iets later, dit is afhankelijk van de reeks milde nachten in januari. De mannetjes rusten overdag soms op boomstammen, maar zitten meestal verscholen achter de schors of in bastspleten; ze laten zich gemakkelijk opjagen en gaan dan enkele meters verderop weer zitten. De vrouwtjes worden geregeld ´s morgens vroeg onder aan boomstammen gevonden. De mannetjes beginnen vrij snel na het donker worden te vliegen en komen soms in grote aantallen op licht.

België

Vrij algemeen in het hele land. Lokaal in bosrijke gebieden in hoge aantallen.

Mondiaal

Van het Iberisch Schiereiland via heel Europa naar Rusland; in het zuiden van het westelijke Middellandse Zeegebied via de Balkan, Klein-Azië en de Zwarte Zee tot de Kaukasus. De meest zuidoostelijke vangst was in Kazachstan. Naar het noorden tot Zuid-Scandinavië.

Trend op lange en korte termijn
Onderstaande grafieken tonen de verandering in de talrijkheid van de soort in de loop van de tijd. De eerste grafiek geeft het verloop over de hele periode waarvan we waarnemingen hebben. Omdat de oude gegevens vaak niet erg nauwkeurig zijn (geen aantallen) en incompleet (nadruk op zeldzame soorten) wordt hier de presentie afgebeeld. De tweede grafiek laat het verloop zien van de prestatie van de soort in de laatste dertig jaar. Wat presentie en prestatie precies zijn, en hoe ze worden berekend kunt u lezen op de pagina De berekeningen.
Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in het waarnemingbestand Noctua. Hoe die berekeningen worden uitgevoerd staat te lezen op de pagina De berekeningen.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - feb 2016
Zeldzaamheid
Engelse naam
Spring Usher
Duitse naam
Weissgrauer Breitflügelspanner
Franse naam
l'Hibernie grisâtre
Synoniemen
Hybernia leucophaearia, Erannis leucophaearia, Hibernia leucophaearia, Hibernia nigricaria
Toelichting Nederlandse naam

De kleine voorjaarsspanner vliegt van januari tot april. Deze is de kleinste van de voorjaarsspanners.

Meer over Nederlandse namen

Toelichting wetenschappelijke naam

Agriopis: agrios = wild en ops, opos = het gezicht, vanwege de ruwe schubben die de voorkant bekleden.
leucophaearia: leukophaios = witachtig grijs; vanwege de kleur van sommige individuen.

Auteursnaam en jaartal
(Denis & Schiffermüller, 1775)

Nieuws

Tijdschriften

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie spanners (GEOMETRIDAE)

getekende rozenspanner
Anticlea derivata

gewone spikkelspanner
Ectropis crepuscularia

bruine bosrankspanner
Horisme vitalbata

taxusspikkelspanner
Peribatodes rhomboidaria

walstrospanner
Costaconvexa polygrammata

gepluimde spanner
Colotois pennaria

alle soorten uit deze familie