roesje Scoliopteryx libatrix

Het roesje overwintert als vlinder in schuren, bunkers, mergelgroeven, vochtige tunnels en kelders.
Familie
spinneruilen (EREBIDAE)
Onderfamilie
Scoliopteryginae / Scoliopteryx libatrix
Groep
Nachtvlinder die nachtactief is
Hoe moeilijk te herkennen
(goed tot redelijk goed te determineren)
Zeldzaamheid
Zeer algemeen. Komt verspreid over het hele land voor. RL: gevoelig.
Rode lijst
gevoelig

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken vlinder

Voorvleugellengte: 19-23 mm. Deze opvallende en karakteristieke spinneruil is stevig gebouwd en heeft een brede voorvleugel die in rust tamelijk vlak ligt en een krom gebogen vleugelpunt heeft. De achterrand van de voorvleugel heeft diep ingesneden kartels. De voorvleugel is grijsachtig bruin met een roze of paarsachtige tint en is bestrooid met kleine donkere vlekjes. Van de witte centrale dwarslijnen valt vooral de dubbele buitenste dwarslijn op; deze maakt vlak bij de voorrand een scherpe bocht in de richting van de vleugelwortel. Kenmerkend is de oranje met geel gespikkelde veeg die vanuit de vleugelwortel naar het midden van de vleugel loopt en die in het middenveld, voorbij de opvallende witte stip, terugbuigt in de richting van de vleugelwortel. Een andere opvallende witte stip is aanwezig in de vleugelwortel. Langs de oranje veeg ligt een zwart met wit gespikkelde ader. Op het oranjebruine borststuk is een korte kuif zichtbaar en het mannetje heeft geveerde antennen.

Kenmerken rups

Tot 50 mm; lang en slank met een fluweelachtig uiterlijk; lichaam groen met over de rug een onduidelijke donkere middenstreep en op de flanken een zwartgezoomde, groenachtig gele lengtestreep; over de spiracula een onduidelijke, witachtige lengtestreep; kop bijna bolrond, geelachtig groen met een zwarte lijn over het midden

Levenscyclus
Rups: mei-september. De verpopping vindt plaats in een cocon tussen samengesponnen bladeren, vaak aan het uiteinde van een tak. De soort overwintert als vlinder in schuren, bunkers, mergelgroeven, vochtige tunnels en kelders.
Waardplanten
Wilg en (ratel)populier.
Habitat

Habitat: Open loofbossen, struwelen, moerassen, heiden, parken en tuinen.

Vliegtijd en gedrag
Deze soort vliegt in twee generaties en kan in alle maanden van het jaar worden waargenomen. De vlinders worden in het donker vaak foeragerend aangetroffen op smeer, overrijpe bramen, bessen van gelderse roos en bloemen van onder andere klimop. In mindere mate komen de vlinders op licht.
België
Algemeen in het hele land. Erg wijdverbreid, maar doorgaans in lage aantallen gemeld.
Mondiaal
Canada, Virginië en Nieuw-Mexico. Van Noord-Afrika via heel Europa tot bij de poolcirkel. Naar het oosten tot Voor- en Centraal-Azië, Korea en Japan.
Trend op lange en korte termijn
Onderstaande grafieken tonen de verandering in de talrijkheid van de soort in de loop van de tijd. De eerste grafiek geeft het verloop over de hele periode waarvan we waarnemingen hebben. Omdat de oude gegevens vaak niet erg nauwkeurig zijn (geen aantallen) en incompleet (nadruk op zeldzame soorten) wordt hier de presentie afgebeeld. De tweede grafiek laat het verloop zien van de prestatie van de soort in de laatste dertig jaar. Wat presentie en prestatie precies zijn, en hoe ze worden berekend kunt u lezen op de pagina De berekeningen.
Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in het waarnemingbestand Noctua. Hoe die berekeningen worden uitgevoerd staat te lezen op de pagina De berekeningen.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - feb 2016
Zeldzaamheid
Engelse naam
The Herald
Duitse naam
Zackeneule
Franse naam
la Découpure , la Noctuelle verseuse
Oud Nederlandse naam
capucijner-uil, roestje, roestvlinder
Synoniemen
Gonoptera libatrix
Toelichting Nederlandse naam
De naam roesje is ontleend aan de roestkleurige vlekken op de vleugels. Maar waarom is dat zo? En hoe zit het met de andere mogelijke verklaringen van herkomst: de kledingroesjes (vanwege de gegolfde vleugelrand) en het roes uitslapen (vanwege de overwintering als vlinder)?
Lees meer in het artikel Waar komt de Nederlandse naam roesje vandaan?.
Meer over Nederlandse namen

Meer over Nederlandse namen

Toelichting wetenschappelijke naam
Scoliopteryx: skolios = krom, gebogen en pteron = vleugel, wijzend op de vele bochtjes in de achterrand van de vleugels.
libatrix: libatrix = iemand die de goden eer brengt. Linnaeus geeft geen toelichting op de naam. Het zou kunnen dat de aanblik van de vleugels aan ceremoniële gewaden doet denken. Hij kan ook hebben gedacht dat deze fraaie vlinder uitnodigt tot een feestelijke dronk!
Auteursnaam en jaartal
(Linnaeus, 1758)

Soorten uit dezelfde familie spinneruilen (EREBIDAE)

bruine prachtuil
Dysgonia algira

tijgerbeertje
Setina irrorella

plakker
Lymantria dispar

satijnvlinder
Leucoma salicis

gepijlde micro-uil
Schrankia costaestrigalis

rondvleugelbeertje
Thumatha senex

alle soorten uit deze familie