Nieuwsbericht

Veel graslandvlinders in stedelijk gebied Nijmegen

vrijdag 12 februari 2021

De gemeente Nijmegen is bezig met een actualisatie van haar groenbeleid. In 2000 en in 2007 waren door De Vlinderstichting al vlinderinventarisaties uitgevoerd en deze zijn in 2020 herhaald. In 24 groengebieden is gekeken welke vlinders er voorkomen. Dat ging om parken, groenstroken en wegbermen. Er werden veel vlinders waargenomen, waaronder veel typische soorten voor bloemrijk grasland.

Veel van de onderzochte gebieden werden al (grotendeels) natuurvriendelijk beheerd.

Het doel van het onderzoek was om de actuele staat van de groengebieden vast te leggen. Tijdens drie ronden (april-mei, juni-juli en augustus-september) zijn de terreinen helemaal doorkruist en zijn alle waargenomen dagvlinders en libellen genoteerd. Er zijn in totaal 2421 dagvlinders geteld, verdeeld over 21 soorten. 44 procent van de waargenomen vlindersoorten betrof de zogenaamde kroeglopers, mobiele vlinders die overal aanwezig zijn waar maar wat te halen valt. Het klein koolwitje was van deze groep verreweg het talrijkst. 41 procent van de vlinders behoort tot de typische graslandvlinders. Dit zijn soorten die redelijk mobiel zijn, maar zich toch vaak voortplanten op de locatie waar ze worden aangetroffen. Het zijn alle soorten die halfnatuurlijk, bloemrijk grasland nodig hebben. 15 procent van de vlinders waren gebonden aan bos(randen). De onderzochte groengebieden bestonden uit een afwisseling van grasland en gazon, bosjes en bosplantsoen en soms ook waterpartijen.

De waargenomen graslandvlinders in volgorde van de talrijkheid in de onderzochte gebieden. V.l.n.r., boven: bruin zandoogje, icarusblauwtje, kleine vuurvlinder & hooibeestje, onder: bruin blauwtje, oranje zandoogje, kleine parelmoervlinder, groot dikkopje & zwartsprietdikkopje

Uitbreiding

In de meer traditioneel beheerde parkdelen waren de graslandvlinders, zoals te verwachten is, veel minder aanwezig.

De graslandvlinders waren beter vertegenwoordigd dan in de onderzoeken van 2000 en 2007. Het hooibeestje, bruin zandoogje en oranje zandoogje werden duidelijk meer aangetroffen. Het oranje zandoogje is zich in Nijmegen aan het uitbreiden, want die kwam in de vorige onderzoeken nog helemaal niet voor en is in 2020 in vier groengebieden gevonden. De kleine parelmoervlinder, die zich mede dankzij de hitte en droogte landelijk uitbreidt, is ook in twee Nijmeegse groengebieden gevonden. Ook het scheefbloemwitje, een soort die pas in 2015 in Nederland verscheen, is tweemaal gevonden. De dikkopjes, ook graslandvlinders, waren nauwelijks aanwezig. Er werd één groot dikkopje en één zwartsprietdikkopje geteld en het geelsprietdikkopje werd in dit onderzoek helemaal niet gevonden, maar komt nog wel voor in een van de groengebieden. Daar zijn ook uit 2020 meldingen van uit meetnet vlinders (NEM) en de NDFF. De dikkopjes hebben alle drie overstaande vegetatie nodig in de winter. Dat betekent dat er plekken moeten zijn waar grasvegetatie de winter door, van juni-juli tot het volgend jaar mei, moet blijven staan.

Kleurkeur als instrument

Uit de resultaten blijkt dat stedelijk gebied prima leefgebied kan vormen voor graslandvlinders, als er in inrichting en beheer maar rekening mee wordt gehouden. Kleurkeur is daarvoor een goed instrument. De graslandvlinders hebben het in het intensief gebruikte buitengebied moeilijk, wat de stad voor deze vlinders nog belangrijker maakt.

Lees meer over Kleurkeur

beheer BruinZandoogje graslandvlinders Hooibeestje KleineParelmoervlinder KleinKoolwitje Kleurkeur Nijmegen OranjeZandoogje Scheefbloemwitje Zwartsprietdikkopje