Nieuwsbericht

Verspreiding, populatiegrootte en trends: het belang van waarnemingen verzamelen

vrijdag 8 mei 2015

Veel vlinderaars doen mee aan het Landelijk Meetnet Vlinders, of geven hun losse waarnemingen door aan Landkaartje, Telmee of Waarneming.nl. Maar wat zijn de verschillen?

En wat kan De Vlinderstichting met de verschillende waarnemingen doen?

Atlaskaartjes

Veel waarnemers zijn wel bekend met de verspreidingskaartjes uit atlassen. Vaak op een detailniveau van 5x5 kilometer, soms provinciaal of regionaal op 1x1 kilometer. Dit soort kaartjes worden vooral gemaakt door alle waarnemingen, of ze nu uit losse waarnemingen komen of uit meetnetten, bij elkaar op een kaart te plotten.

Zo’n kaart vertelt je waar je een soort kunt vinden, en door kaartjes uit verschillende periodes te vergelijken kun je ook een beeld krijgen van de veranderingen. Probleem bij dit soort kaartjes is dat de waarnemingsintensiteit verschilt in ruimte (sommige streken zijn veel beter onderzocht dan andere) en tijd (er worden tegenwoordig veel meer waarnemingen doorgegeven dan vroeger).

Populatiegrootte

Voor vogels en andere grote dieren is het vrij gewoon om te spreken over het aantal broedparen of volwassen dieren in Nederland. Bij vlinders is dat onbegonnen werk. Alleen bij zeldzame soorten waar veel onderzoek aan wordt gedaan, zoals de pimpernelblauwtjes, weten we redelijk goed hoeveel vlinders er per jaar zijn geweest.

Door het combineren van dichtheden op routes in het meetnet en de verspreiding kunnen we wel een grove schatting krijgen van het aantal vlinders in Nederland. We komen dan uit op aantallen tussen de 80 en 150 miljoen dagvlinders (bij soorten met meer dan één generatie nemen we dan alleen de talrijkste generatie mee). Het bruin zandoogje is dan trouwens ook de talrijkste soort met zo’n 20 miljoen vlinders per jaar in ons land, maar net iets meer dan het aantal mensen!

Verspreidingstrend

Willen we verder gaan dan een eenvoudige vergelijking tussen de verspreiding in twee atlasperioden, dan was dat tot voor kort moeilijk. We weten tenslotte niet zeker 'hoe' waarnemingen worden doorgegeven. Een paar voorbeelden: sommige waarnemers geven alleen de krenten uit de pap van de dag door (wel de zilveren maan, niet het bruin zandoogje, wel het eerste kleine koolwitje, niet meer de andere kleine
koolwitjes van dat jaar...).
Beginnende waarnemers kennen niet altijd alle soorten goed (en geven bijvoorbeeld wel het oranjetip mannetje, maar nooit een vrouwtje door).
En wat ook kan: een waarnemer geeft de ene dag alles door, en de andere dag niets: gewoonweg omdat ze geen zin of tijd hadden.

Vanzelfsprekend is De Vlinderstichting blij met iedere waarneming die wordt doorgegeven. Maar bij het trekken van conclusies op basis van deze gegevens, is het wel belangrijk om te weten hoe de gegevens in elkaar zitten. Dank zij een nieuwe techniek, occupancy modeling genaamd, is het nu mogelijk om met 'losse' waarnemingen toch verspreidingstrends te berekenen. De grafiek laat de verspreidingstrend van de argusvlinder zien.

 

Populatietrend

Het Landelijk Meetnet Vlinders levert populatietrends. Want al weten we de populatiegrootte niet precies, veranderingen in de populatiegrootte kunnen we wel prima volgen met het meetnet. Zo kunnen we sinds 1990 precies volgen hoe de argusvlinder achteruitging (zie grafiek).

Om alle populatietrends van onze vlinders van de afgelopen 25 jaar te zien, kunt u het boekje over 25 jaar vlinders tellen downloaden.

De grafiek toont in één overzicht de beide trends van de argusvlinder in Nederland. Dan valt op dat de achteruitgang in de populatietrend al meteen te zien is, terwijl de verspreidingstrend pas vijftien jaar later reageert. Hoe kan dat? Als een soort achteruitgaat, dan begint dat met een daling van de aantallen. Pas als de laatste vlinder uit een hok verdwijnt, reageert de verspreidingstrend.

Die loopt dus achter bij de populatietrend, en is dus minder geschikt om zeldzame soorten te volgen voor beschermingsdoeleinden. Je loopt tenslotte een groot risico dat je pas merkt dat er iets aan de hand is als de soort op die plek verdwenen is en het dus te laat is. Een uitbreiding wordt daarentegen sneller opgepikt door de verspreidingstrend. Als naast een grote populatie heivlinders (een paar duizend vlinders) een klein heideveldje gekoloniseerd wordt (met enkele tientallen vlinders), dan valt dat in de populatietrend bijna weg, terwijl het (misschien) wel meteen een nieuw bezet hok oplevert.

Samengevat 

Elke waarneming die u doet en doorgeeft draagt bij aan onze kennis over de verspreiding van vlinders en de veranderingen daarin. Maar willen we echt de vinger aan de pols houden, en dan zeker voor zeldzame en bedreigde soorten, dan is de populatietrend veel gevoeliger.
Voor die laatste is het Landelijke Meetnet Vlinders belangrijk.

Argusvlinder LandelijkMeetnetVlinders waarnemingen