Nieuwsbericht

Biodiversiteit vraagt maatwerk EU

vrijdag 12 februari 2016

Biodiversiteit in Europa staat onder druk. Het Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) geeft aan dat op een deel van de landbouwgrond natuur een belangrijke functie moet krijgen om verdere achteruitgang te stoppen. Tot dusverre, is dit beleid niet succesvol geweest. Een recente studie van Wageningen Universiteit geeft aan dat maatwerk nodig is.

Menselijke activiteiten en economische ontwikkeling hebben geleid tot verandering, vernietiging en fragmentatie van de natuurlijke leefomgeving wereldwijd. Hierdoor is er sprake van een sterke achteruitgang van de biodiversiteit. Dit is met name het geval in agrarische gebieden in Europa, waar de landbouw sterk is geïntensiveerd. De Europese Unie erkent dit en in het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is, na lange discussies, uiteindelijk besloten dat 5% van de landbouwgrond ecologisch aandachtsgebied moet worden om zo biodiversiteit te behouden en tegelijkertijd ecosysteemdiensten als bestuiving en plaagbestrijding door natuurlijke vijanden te bevorderen. Bij een herziening zal het oppervlaktepercentage wellicht worden verhoogd tot 7 %. Om te achterhalen of dat voldoende is om de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen hebben onderzoekers van Wageningen Universiteit en particuliere soortorganisaties gekeken naar de aanwezigheid van natuurlijke elementen in het agrarisch gebied in Nederland in relatie tot de soortenrijkdom van planten als dieren die in landbouwgebieden voorkomen.

De onderzoekers hadden de beschikking over een gedetailleerde kaart van Nederland met alle natuurlijk elementen en zeer nauwkeurige verspreidingsgegevens van vaatplanten en dagvlinders, vanuit de Nationale databank Flora en Fauna (NDFF), van zweefvliegen en sprinkhanen uit de European Invertebrate Survey database en gegevens van het meetnet broedvogels. Bij elkaar gaat het om miljoenen waarnemingen, verzameld door professionals, maar vooral door vele duizenden vrijwilligers. Nederland is een van de best onderzochte landen als het om biodiversiteit gaat. Anouk Cormont van Wageningen UR, die het onderzoek leidde: “We hebben voor het eerst voor een heel land kunnen evalueren welke invloed de dichtheid aan natuurlijke elementen heeft op soortenrijkdom. De gebruikte soortgroepen zijn ecologisch erg verschillend en daarmee hebben we een uitstekend beeld gekregen.” Landschappen met 3-7% natuurlijke elementen hadden 37-75% van de maximum mogelijke soortenrijkdom. Maar er was een groot verschil tussen de natuurelementen, tussen landschapstypen en bovendien bleken soortgroepen verschillend te reageren.

Voor planten en insecten bleken vooral lijnvormige elementen een positieve bijdrage te leveren op de soortenrijkdom. Bij heggen, greppels en wateroevers bleek de toename sterker dan bij niet lijnvormige elementen. Bij vlinders bleek een duidelijk verschil op te treden per type landschap (fysisch geografische regio’s). Bij een toename van natuurlijke elementen van 3% tot 7 % nam het aantal soorten het sterkst toe in het Limburgse Heuvelland en in het rivierengebied. Conclusie is dat er niet een standaardoppervlaktemaat voor biodiversiteit is die in heel Europa toegepast kan worden. Het is nadrukkelijk een kwestie van maatwerk. Zo zou in bepaalde gebieden meer dan 7% van het akkerland moeten worden aangewezen, terwijl in andere gebieden een kleiner percentage kan volstaan. Het is zaak hierbij de meest gevoelige groep als graadmeter te nemen en nadrukkelijk op regionaal nivo uit te werken. Vlinders scoren daarbij goed: ze reageren sterk op een kleine toename van natuurlijke elementen in agrarisch landschappen, net als vogels, maar bij vlinders is het gevonden verband het sterkst.

Hier vindt u meer informatie over de publicatie.

Biodiversiteit