Nieuwsbericht

Soorten verdienen geen Zwarte Piet

maandag 14 januari 2013

Vlak bedreigde soorten niet uit maar benut ze als graadmeters

Door Michiel Wallis de Vries
Buitengewoon hoogleraar Ecologie en Bescherming van Insecten aan Wageningen Universiteit en senior projectleider bij De Vlinderstichting.

Volgende maand brengt de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) een advies uit aan staatssecretaris Dijksma als impuls voor de herijking van het natuurbeleid (Trouw 2 januari). Volgens de informatie uit het krantenbericht in Trouw is de kern van het advies dat er sterker dan nu moet worden ingezet op grote landschappelijke eenheden die onderling verbonden zijn. Rond de aan te wijzen kerngebieden zullen bufferzones met aangepast landgebruik ingericht moeten worden. Daarmee pleit de adviescommissie voor voortzetting van de realisatie van de Ecologische Hoofd Structuur (EHS), al is dat door bezuinigingen in afgeslankte vorm.

Dit klinkt als een constructieve en krachtige visie op een duurzame natuurbescherming. Ik ondersteun dit deel van het advies dan ook van harte. Wat echter wringt in het Trouw-artikel is de suggestie dat het advies de aandacht voor soortenbescherming zou willen verminderen. Het beschermen van “individuele plantjes en dieren”, geregeld op basis van “lange lijsten”, zou weinig effectief zijn en maatschappelijke weerstand oproepen door de technocratische aanpak. Dit lijkt een zeer selectieve weergave van de bevindingen van de commissie. Ter voorbereiding van het advies heeft de RLI enkele rapporten laten opstellen die een veel genuanceerder beeld bieden. Het krantenartikel benadrukt nu de negatieve sentimenten, maar uit een van de rapportages blijkt dat het draagvlak voor bescherming van natuur en biodiversiteit nog steeds groot is: 95% van de bevolking hecht belang aan de bescherming van bestaande natuurgebieden en 87% staat achter de bescherming van zeldzame flora en fauna.

Wel zitten er barsten in het draagvlak. En door de minderheid van vaak luidruchtige critici wordt de Zwarte Piet dan vaak toegedeeld aan de bescherming van bedreigde soorten. Dit lijkt me een onterecht gevolg van drie mijns inziens verkeerde suggesties. Ten eerste dat het soortenbeleid een belangrijk deel van het natuurbeleid zou uitmaken. Ten tweede dat het beschermen van soorten plaats moet maken voor het beschermen van systemen en ten derde dat soortenbescherming het draagvlak voor natuurbeheer ondermijnt.

Het actieve beleid voor soortenbescherming is met circa 5% van het budget nooit meer dan een bescheiden deel binnen het natuurbeleid geweest in vergelijking met het aankopen en inrichten van natuurgebied. De gestelde nadruk op soorten bij het afgelopen beleid is dus overtrokken. Het Nederlandse natuurbeheer heeft mede door het pionierswerk van vegetatie-ecoloog Victor Westhoff juist altijd een sterke systeemgerichte oriëntatie gekend op basis van plantengemeenschappen en bijbehorende milieucondities. Afzonderlijke soorten speelden daarbij een ondergeschikte rol. Door deze blik werd bijvoorbeeld de rol van ruimtelijke samenhang in het landschap onderschat: ‘bij de juiste milieucondities krijg je vanzelf wel de kenmerkende soorten terug’ luidde de redenering. We weten nu dankzij bijvoorbeeld het soortgerichte onderzoek aan de veldparelmoervlinder dat dit door versnippering en isolatie niet zonder meer het geval is. Dit inzicht is via de EHS ook in het natuurbeleid verankerd.

Dat de bescherming van soorten plaats zou moeten maken voor een systeemgerichte benadering is dan ook een misvatting. In tegendeel: ze versterken elkaar! Soorten helpen de natuurbescherming verder: als sleutelsoorten, als indicatorsoorten en als vlaggenschepen. Sleutelsoorten spelen een belangrijke rol in het functioneren van ecosystemen. Te denken valt aan eiken in het bos en riet in het moeras, maar ook kleinere soorten behoren daartoe: bijen en vlinders als bestuivers van planten of de rupsen van nachtvlinders als voedsel voor vogels en vleermuizen. Het is zaak deze soorten niet kwijt te raken als je bepaalde ecosystemen wilt behouden! Kennis over de ecologie van indicatorsoorten zegt ook veel over de toestand en ontwikkeling van ecosystemen. Zo worden veranderingen in de aantallen dagvlinders benut om inzicht te krijgen in de doorwerking van onder meer klimaatverandering, vermesting en de biodiversiteit van graslanden in Europa. Van deze indicatorsoorten valt dus veel te leren over het te voeren beheer. Tenslotte kunnen we soorten gebruiken als vlaggenschepen, boegbeelden voor een herkenbaar natuurbeleid. Het Wereldnatuurfonds doet dat al decennia met de reuzenpanda, maar de terugkeer van bever, raaf en pimpernelblauwtje in Nederland zijn ook juwelen op de kroon van het natuurherstel!

Soorten kunnen dus juist worden benut om het draagvlak voor natuurbescherming te versterken. Het publiek wordt nu eenmaal makkelijker aangesproken met een vlinder dan met een blauwgrasland. In het Europese Life-project rond de Moerputten bij Den Bosch wordt nu via het pimpernelblauwtje ook het systeem beschermd. Natuurlijk zijn er uitwassen en negatieve aspecten aan soortgerichte natuurbescherming. Maar die zijn voor een belangrijk deel op te lossen door een kritische blik op de soortenkeuze en door het begrip schade in de Flora- en Faunawet meer op populaties dan op individuen te richten.

Er is dus alle reden om in het nieuwe natuurbeleid te kiezen voor het benutten van de meerwaarde van de kennis over bedreigde soorten in plaats van om soorten de Zwarte Piet te geven. We willen in die grote landschappelijke eenheden toch juist genieten van die bijzondere soorten?

Veldparelmoervlinder