Levenscyclus

Levenscyclus van libellen

Libellen behoren tot een primitieve groep insecten, die een onvolledige gedaanteverwisseling hebben. Dit betekent dat larven van libellen na elke vervelling steeds iets meer op imago's (volwassen libellen) gaan lijken, zonder dat het 'bouwplan' drastisch verandert. Bij libellenlarven is bijvoorbeeld de vleugelaanleg al duidelijk zichtbaar. Dit is een verschil met bijvoorbeeld vlinders en kevers, die een volledige gedaanteverwisseling met popstadium hebben.

Ei

Eitjes van libellen worden meestal in of vlakbij het water afgezet. Dit kan in het water zijn, in de waterbodem, in water- of oeverplanten, of op modder op de oever.

Libelleneitjes zijn kleiner dan een millimeter en afhankelijk van de soort langgerekt, ovaal, of bijna rond van vorm. Soorten die hun eitjes in planten afzetten (endofytische ei-afzet) hebben langgerekte eitjes, terwijl soorten die hun eitjes in het water of op de oever afzetten (exofytische ei-afzet) meer ronde eitjes hebben.

De eitjes van sommige soorten hebben bijzondere aanpassingen. Zo hebben eitjes van rombouten (die vooral in stromend waterleven) een kleverig laagje dat zich vasthecht aan zand of stenen op de bodem. Hierdoor spoelen de eitjes niet weg. De eitjes van sommige heidelibellen (die als eitje de winter doorbrengen) hebben een ondoordringbaar laagje, wat ze beschermt tegen uitdroging en vorst. De eitjes van de tweevlek vormen een lang snoer, dat gemakkelijk aan waterplanten blijft hangen. Op die manier wordt voorkomen dat de eitjes naar de bodem zinken.

Afhankelijk van de soort en milieuomstandigheden, zetten libellenvrouwtjes enkele honderden tot enkele duizenden eitjes af. De eitjes komen uit na enkele weken tot enkele maanden; ook dat is afhankelijk per soort, de watertemperatuur en van het tijdstip in het seizoen waarop de eitjes worden afgezet.

Larve

Wanneer een libelleneitje uitkomt verschijnt eerst de zogenaamde prolarve: een klein wormachtig diertje dat nog omgeven is door de eihuid. Een prolarve verplaatst zich met spartelende bewegingen naar de plek waar de larve moet opgroeien: bijvoorbeeld van de plant waarin het eitje is afgezet naar het open water, of van de oever naar het water. Bij eitjes die los in het water zijn afgezet is deze fase dus al direct bereikt. Eenmaal aangekomen op de plaats van bestemming vervelt de prolarve en verschijnt het jonge larfje, dat zich vrij kan bewegen, kan eten en kan groeien.

Libellenlarven zijn jagers en eten waterdiertjes die kleiner zijn dan zijzelf. Kannibalisme komt bij de meeste soorten voor. Andersom zijn libellenlarven een belangrijk onderdeel op het menu van vissen, amfibieën, waterkevers, waterwantsen, watervogels, enzovoorts.

Net als andere insecten moeten libellenlarven regelmatig vervellen om te kunnen groeien. De periode tussen twee vervellingen wordt een larvaal stadium genoemd. Afhankelijk van de soort en van de ontwikkelingsduur brengt een larve negen tot zeventien larvale stadia door, voordat het volgroeid is.

Het totale larvenstadium is het langstdurende ontwikkelingsstadium van een libel. Bij de meeste soorten duurt het larvenstadium iets korter dan een jaar tot bijna twee jaar. Er zijn echter ook soorten die drie tot bijna vijf jaar onder water doorbrengen, alvorens een volwassen libel te worden. In uitzonderlijke gevallen kunnen libellen twee generaties per jaar hebben, wat betekent dat het larvenstadium binnen enkele maanden voltooid kan worden.

Uitsluipen

Een volgroeide larve heeft nog één vervelling voor de boeg: de vervelling van larve naar imago. Soms wordt dit 'verpoppen' genoemd, maar dit is een onjuiste term, aangezien libellen geen popstadium hebben. Een betere en meer gebruikte term is 'uitsluipen'.

Voor het uitsluipen klimt de volgroeide libellenlarve uit het water. Dit gebeurt bijvoorbeeld langs een plantenstengel die in het water of op de oever staat, maar ook allerlei andere objecten op de kant worden gebruikt. Als de larve een geschikte uitsluipplek heeft gevonden, houdt het zich stevig vast en vervelt voor de laatste keer. De huid van kop en borststuk barsten open en heel langzaam komt de volwassen libel eruit. Wanneer kop, borststuk en poten eruit zijn, grijpt de libel zich vast aan het uitsluipsubstraat en trekt zijn achterlijf uit de larvenhuid. Vervolgens blijft het nog verfrommelde en kleurloze dier een tijd lang hangen en pompt zich door middel van lichaamsvloeistof op. Het achterlijf strekt zich langzaam en krijgt steeds meer de langgerekte vorm van een volwassen libel. Ook de vleugels strekken zich langzaam maar zeker uit. Als de libel zijn uiteindelijke vorm bereikt heeft, wordt de overtollige lichaamsvloeistof in druppeltjes afgescheiden door het achterlijf.

De libel heeft zijn uiteindelijke vorm bereikt, maar is nog vrijwel kleurloos en te zacht om te vliegen. Pas na enige tijd uitharden is de libel klaar voor zijn eerste vlucht en vliegt weg van het water, meestal naar de eerste de beste boom of struik. Het lege larvenhuidje blijft achter langs de waterkant. De jonge imago’s (verse imago’s of juvenielen genoemd) zijn nog enkele dagen herkenbaar aan hun glimmende vleugels.

Het hele uitsluipproces duurt meestal langer dan een uur. In die tijd is de libel zeer kwetsbaar voor natuurlijke vijanden (bijvoorbeeld vogels, kikkers en mieren). Rombouten staan erom bekend om zeer snel, vaak binnen een kwartier, uit te sluipen. 

Veel soorten sluipen bij voorkeur uit in de vroege morgen, of zelfs 's nachts, omdat ze dan minder kans hebben te worden opgegeten.

Imago

Een imago (officiële woord voor volwassen libel) is het laatste ontwikkelingsstadium van een libel en het enige stadium waarin de libel kan vliegen en niet direct gebonden is aan het water. De voornaamste functies van een imago zijn voortplanting en verspreiding naar andere gebieden, waarmee uitwisseling tussen populaties wordt bereikt en nieuwe geschikte gebieden worden gekoloniseerd.

Jonge imago's hebben enige tijd nodig om geslachtsrijp te worden (zie Leefwijze en gedrag). Vervolgens vindt de paring plaats en worden de eitjes afgezet. De levenscyclus is nu rond. Na de voortplanting sterven imago’s doorgaans binnen enkele dagen. Grote soorten kunnen nog wat langer doorvliegen.

De totale levensduur van een imago varieert van een tot enkele weken bij juffers en enkele weken tot twee maanden bij grotere libellen. Dit is dus veel korter dan het larvenstadium. De weersomstandigheden hebben een grote invloed op de werkelijke levensduur.

De bruine en noordse winterjuffer overwinteren als imago en leven daardoor uitzonderlijk lang, tot wel negen maanden.

Alles over libellen