gaffellibel Ophiogomphus cecilia

Zeldzame rombout met grasgroene kop en grasgroen borststuk.
Familie
rombouten (Gomphidae)
Onderfamilie
Onychogomphinae
Genus
Ophiogomphus
Onderorde
echte libellen - Anisoptera
Zeldzaamheid

Zeer zeldzaam

Rode Lijst
bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

50-60 mm. Meestal direct te herkennen aan de grasgroene kleur van kop, ogen, borststuk en begin van het achterlijf. Achterlijf verder zwart met een reeks lange, ingesnoerde en spits toelopende gele vlekken op de rug (bovenaanzicht). Borststuktekening met smalle groene lijnen en een gereduceerde eerste zijnaadstreep. Bij jonge of heel oude individuen is de kenmerkende groene kleur soms niet zichtbaar of onopvallend. Mannetje: duidelijke knotsvormige verbreding aan het einde van het achterlijf (segmenten 7-10). Vrouwtje: vergelijkbaar getekend als mannetje, maar met breder postuur en nauwelijks knotsvormige verbreding van het achterlijf.

Mannetje: achterlijfsaanhangselen kort (niet als bij tanglibellen) en bleek. Vrouwtje: achter ieder oog een uitstulping met kleine tandjes.

Gelijkende soorten
Gelijkende soorten:

Andere rombouten, vooral plasrombout, beekrombout en kleine tanglibel. Vooral gaffellibellen met weinig groen kunnen bedrieglijk veel op andere soorten lijken. Aan de andere kant krijgen beekrombouten vaak een groenige grondkleur.

Meer over gelijkende soorten:

Meestal zijn gaffellibellen goed te herkennen aan de grasgroene kleur van kop, borststuk en begin achterlijf. Bij jonge of oude gaffellibellen kan de groene kleur echter (vrijwel) ontbreken. Verwarring komt voor met de plasrombout, die eveneens smalle strepen op het borststuk heeft. Welbeschouwd wijkt de tekening van borststuk en achterlijf echter af. De beekrombout heeft vaak een groengele grondkleur en kan daardoor met de gaffellibel verward worden. De beekrombout heeft echter veel meer zwart op poten, borststuk en achterlijf. Vrouwtjes kleine tanglibel lijken op vrouwtjes gaffellibel, maar hebben een ‘drukke’ borststuktekening van brede zwarte strepen, bredere achterlijfsvlekken en geen groen op kop en borststuk.

plasrombout
Gomphus pulchellus

rivierrombout
Gomphus flavipes

kleine tanglibel
Onychogomphus forcipatus

beekrombout
Gomphus vulgatissimus

Uiterlijk van de larve

Lengte: 27-32 mm.Relatief grote rombout met breed lichaam met goed ontwikkelde rugknobbels. Het derde antenne segment is lang en smal en er is geen zijdoorn aanwezig op segment 6. De uiteinde van de labiale palp is afgerond.
Larvenhuidjes zijn variabel van kleur.

Verwarring met andere larven

In Nederland verwarring mogelijk met kleine tanglibel deze heeft een zijdoorn op segment 6. Verder ontbreekt bij het geslacht van de rombouten de rugknobbels, die de gaffellibel wel heeft. Ook de labiale palp heeft bij deze soorten een scherp uiteinde de gaffellibel niet.

Levenscyclus

De larven overwinteren drie, soms twee of vier keer. Uitsluipen gebeurt vanaf eind mei tot in augustus.

De larvanhuidjes zijn doorgaans te vinden op een hoogte van enkele decimeters in verticale houding in de oevervegetatie, op steilranden of op waterbouwkundige kunstwerken zoals brugpijlers.
Voor het eierleggen vliegt het wijfje zonder mannetje over rustige gedeelten van een riviertje of beek en tipt met de punt van het achterlijf de eieren in het water af.
Eieren zijn ovaal en ca. 0,5 mm lang, met aan één pool een stomp uitsteekseltje.
Leefomgeving van de larve

Ingegraven in de bodem van beek of rivier, in zand of grind.

Habitat

Rivieren en grotere beken.
 

Biotoop

De Gaffellibel komt voor in rivieren en grote beken met een bodemsubstraat van bij voorkeur kiezels of grof zand. Vaak staan er bomen en struiken op de oevers, maar een deel van de oever moet onbegroeid zijn. De wateren zijn minimaal enkele meters breed en niet of nauwelijks begroeid. De soort verkiest helder waater, maar komt ook voor in minder heldere rivieren. In Nederland was het voorkomen vroeger vrijwel beperkt tot gebieden langs de Maas (Lieftinck 1926b). De ontdekking in 2000 van een populatie langs de Midden-Limburgse Roer sluit hier mooi op aan (Geraeds & Hermans 2000).
Bij Plasmolen en Reuver werd de soort bij bronnen waargenomen. Het is echter onwaarschijnlijk dat bronnen een geschikte biotoop vormen, waarschijnlijk betrof het zwervers van de Maas.
 
Op basis van onderzoek mede naar aanleiding van de vondsten langs de Roer en Swalm is de biotoop beschrijving behoorlijk uitgebreid en gewijzigd beschreven in de actualisatie van Nederlandse libellen (2008), zie hieronder:

In Nederland plant de Gaffellibel zich voort in de Roer en de Swalm. De Roer wordt op grond van de breedte, diepte en morfologie als een kleine, matig tot snel stromende rivier beschouwd. De breedte varieert van circa 25 tot 50 meter. De diepte is zeer variabel en bedraagt op de diepste trajecten meer dan drie meter. De gemiddelde afvoer en stroomsnelheid bij Vlodrop bedragen respectievelijk 23,5 m3/s en 0,5-1 ,0 m/s (Crombaghs et al., 2000). De waterkwaliteit is tegenwoordig redelijk goed (Zuiveringsschap Limburg, 2001). De Swalm is een laaglandbeek van het subtype snel stromende zandbeek. Met een gemiddelde breedte van zeven meter is de Swalm aanzienlijk smaller dan de Roer. De diepte is gemiddeld 65 cm, maar is plaatselijk in buitenbochten meer dan twee meter. De gemiddelde afvoer en stroomsnelheid bedragen respectievelijke 1,35 m3/s en 0,8 m/s. De waterkwaliteit is over het algemeen redelijk goed (Crombaghs et al., 2000). Het bodemsubstraat van beide beken bestaat uit een afwisseling van zand, grind en slib. Verder hebben beide waterlopen met elkaar gemeen dat ze nog grotendeels een natuurlijke morfologie hebben en vrij door het landschap meanderen. Dit uit zich in een grote variatie in ondermeer waterdiepte, stroomsnelheid en bodemsubstraat. De natuurlijke morfologie samen met de verbeterde waterkwaliteit zijn waarschijnlijk de belangrijkste redenen voor het voorkomen van de soort (GERAEDS, 2003). Imago´s worden meestal in de directe omgeving van het water aangetroffen. Patrouillevluchten worden laag over het water uitgevoerd. Langs de oevers zijn de dieren hoog in de oevervegetatie te vinden, of op grind- en zandstrandjes, dood hout, stenen en dergelijke, dicht op de waterlijn. Foeragerende dieren worden meestal in ruige weilanden in de directe omgeving van het water waargenomen. Hier vallen ze vaak op door hun stijgende en dalende vlucht. In 2000 is twee keer een ei-afzettend vrouwtje langs de Roer waargenomen. Eerst werd in de oevervegetatie een eiklomp uitgeperst die vervolgens midden in de stroming werd afgezet door het achterlijf enkele malen in het water te dippen. De stroomsnelheid bedroeg circa 1,1 en 1,3 m/s (GERAEDS & HERMANS, 2000). Larvenhuidjes worden tot op een hoogte van 25 cm in verticale houding in de vegetatie aangetroffen. Het bodemsubstraat in de directe omgeving van de vindplaatsen van de larvenhuidjes is variabel, maar bestaat meestal uit een combinatie van zand en/of klei en slib. Op locaties waar het bodemsubstraat door grind wordt gedomineerd zijn vrijwel geen larvenhuidjes aangetroffen (GERAEDS & VAN SCHAIK,2005a).
 
Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Van eind mei tot in september, maar vooral in juli en augustus. Gaffellibellen die nog niet geslachtsrijp zijn, kunnen ver van het water vandaan vliegen om te fourageren en te rusten. Deze dieren zijn vaak zonnend op de grond, een boomstam of een steen te vinden. Beschutte bosranden en zonnige bospaden zijn favoriet. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water waar ze langs de kant en boven het water patrouilleren. Hierbij gaan ze vaak zitten op een steen, een kaal stukje grond, of een uitstekende tak. Vrouwtjes zetten de eitjes af in open water, in de vorm van eiklompjes die eerst uit het achterlijf worden geperst.

Mobiliteit

Kan behoorlijk ver van het voortplantingswater vandaan vliegen. Daarnaast vindt verspreiding binnen een beek- of riviersysteem waarschijnlijk makkelijk plaats.

In Nederland
Ja
Regionaal

Momenteel alleen in enkele beken in Limburg.

Europa

Midden- en Noordoost-Europa. Verder enkele geïsoleerde populaties in Frankrijk, Italië en Zuidoost-Europa. Niet op het Iberisch Schiereiland, Britse Eilanden, Zweden en Noorwegen. Nooit in België waargenomen.

Mondiaal

Europa, Centraal-Azië en Rusland. Niet in Afrika.

Zeldzaamheid

In 2000 werd een populatie ontdekt in de Roer en in 2006 ook in de Swalm, beide in Limburg. De populatie in de Roer lijkt stabiel te zijn, de situatie bij de Swalm is nog onzeker. Mogelijk breidt de Gaffellibel zich langzaam uit in Limburg en kan de soort in de toekomst ook weer gezien worden langs de Maas.
 

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Flora- en faunawet
Beschermd
Habitatrichtlijn
Beschermd, soort van bijlage II en IV
Concrete bedreiging
  • Watervervuiling, waardoor het zuurstofgehalte van het water te laag wordt. 
  • Normalisatie van beken en rivieren, waardoor een minder gevarieerde substraatafzetting plaatsvindt.
Aanbevolen beheersmaatregel
  • Tegengaan van watervervuiling, waaronder het afkoppelen van riooloverstorten. 
  • Hermeandering van beken en rivieren.
Engelse naam
Green Snaketail, Green Clubtail
Duitse naam
Grüne Keiljungfer
Franse naam
Gomphus serpentin
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) ophios=slang met het achtervoegsel gomphus; vermoedelijk afgeleid van de naam (L.) serpentinus (slangachtig), waaronder de gaffellibel destijds bekend stond
cecilia=meisjesnaam; overgenomen uit het werk van de Fransman E.L. Geoffroy uit 1762 die de soorten niet aanduidde met namen volgens de binominale nomenclatuur van Linnaeus, maar Franse meisjesnamen gebruikte

Auteursnaam en jaartal
(Fourcroy, 1785)

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie rombouten (Gomphidae)

rivierrombout
Gomphus flavipes

gaffellibel
Ophiogomphus cecilia

plasrombout
Gomphus pulchellus

beekrombout
Gomphus vulgatissimus

kleine tanglibel
Onychogomphus forcipatus

alle soorten uit deze familie