sierlijke witsnuitlibel Leucorrhinia caudalis

Zeer zeldzame witsnuitlibel, die graag op waterleliebladeren zit.
Familie
korenbouten (Libellulidae)
Onderfamilie
Leucorrhiniinae
Genus
Leucorrhinia
Onderorde
echte libellen - Anisoptera
Zeldzaamheid

Zeer zeldzaam

Rode Lijst
verdwenen

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

33-37 mm. Achterlijf met een duidelijke knotsvormige verbreding. Achterlijfsaanhangselen wit (beide geslachten). Achterlijf nooit met roodbruine vlekken. Mannetje: kenmerkende achterlijfsvorm: ingesnoerd ter hoogte van segmenten 3 en 4 en sterk knotsvormig verbreed ter hoogte van segmenten 6 tot 9. Achterlijfskleur met sterke contrasten: segmenten 3, 4 en 5 met lichtgrijze berijping, die scherp is afgetekend. Segmenten 6 tot en met 10 zwart. De witte achterlijfsaanhangselen steken hier sterk bij af. Pterostigma’s aan de bovenkant wit (alleen bij uitgekleurde mannetjes). Jonge mannetjes lijken op vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf nauwelijks ingesnoerd aan de basis, maar wel met verbreding aan het uiteinde. Gele vlekjes op segmenten 2 tot en met 6. Pterostigma’s aan de bovenkant zwart, zoals bij andere soorten.

De vorm van de hamulus (mannetjes) en legschede (vrouwtjes) kan uitsluitsel geven bij het determineren van witsnuitlibellen. Het dier moet hiervoor echter worden gevangen en met een loep worden bekeken.

Gelijkende soorten

Gelijkende soorten:

Andere witsnuitlibellen, vooral oostelijke witsnuitlibel.

Meer over gelijkende soorten:

Mannetjes oostelijke witsnuitlibel hebben ook een donker achterlijf met grijze berijping aan de basis, en witte achterlijfsaanhangselen. Ze hebben echter geen duidelijk knotsvormig verbreed achterlijf en de berijping is diffuser en alleen aanwezig aan de basis van het achterlijf. Bovendien zijn de pterostigma’s aan de bovenzijde zwart in plaats van wit. Wees er echter op bedacht dat alle witsnuitlibellen witte vleugeladertjes hebben tussen pterostigma en vleugeltop. Deze witte adertjes vallen bij oostelijke witsnuitlibellen soms meer op dan de zwarte pterostigma’s, waardoor het soms lijkt dat de pterostigma’s wit zijn.
Venwitsnuitlibel, noordse witsnuitlibel, gevlekte witsnuitlibel (vrouwtjes en jonge mannetjes) en vrouwtjes oostelijke witsnuitlibel hebben net als vrouwtjes sierlijke witsnuitlibel een donker achterlijf met gele vlekjes. Het patroon van de vlekjes op de bovenkant en de zijkant van de eerste achterlijfssegmenten is bij alle witsnuitlibellen anders en ook de grootte van de vlekjes verschilt per soort. Venwitsnuitlibel, noordse witsnuitlibel en gevlekte witsnuitlibel hebben bovendien zwarte achterlijfsaanhangselen. Bij vrouwtjes oostelijke witsnuitlibel is de achterlijfspunt minder duidelijk verbreed.

gevlekte witsnuitlibel
Leucorrhinia pectoralis
Libellulidae: Leucorrhiniinae

venwitsnuitlibel
Leucorrhinia dubia
Libellulidae: Leucorrhiniinae

noordse witsnuitlibel
Leucorrhinia rubicunda
Libellulidae: Leucorrhiniinae

oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia albifrons
Libellulidae: Leucorrhiniinae

Uiterlijk van de larve

Lengte 17-21 mm, larven zijn variabel van kleur en tekening maar in de regel vrij bont gevlekt. Het is een vrij kleine korenbout met een relatief breed achterlijf (7,5 tot 8,5 mm.). Het heeft sterk ontwikkelde rugdoornen. Op segment 7 heeft het ook zijdoornen en lange zijdoornen op segment 9. Aan de buikzijde duidelijke bandering over de breedte richting (deze kunnen ook afwezig zijn), ook de poten bevatten duidelijk banderingen op het dijbeen (Femora) alsook op het scheenbeen (tibea). Het prementum is relatief lang en smal.

Verwarring met andere larven

Door de zijdoornen op segment 7 is er geen verwarring mogelijk met de andere witsnuitlibellen (leucorrhinia). Bij afwezigheid van de buikbandering is er verwarring mogelijk met de heidelibellen (Sympretrum soorten)onderscheid hierbij is dat in faciaal aanzicht de ogen een halve cirkel vormen, de sirelijke witsnuiitlibel heeft een ovaalvormig tot driehoekig aangezicht waarbij de bovenkant van de ogen enigszins zijn afgeplat.

Levenscyclus

De larven overwinteren twee keer. Uitsluipen gebeurt van half mei tot begin juli, met een piek in de eerste helft van juni.

Larvehuidjes zijn te vinden meestal tot enkele decimeters hoogte in de oevervegetatie.
Bij het eieren leggen is het wijfje alleen. Ze tipt met de punt van achterlijf ritmisch in het water om de eieren te laten zinken. De eieren zijn klein (0,5 x 0,4 mm), ovaalrond, bruin en zonder gel-mantel.
Leefomgeving van de larve

Tussen ondergedoken waterplanten.

Habitat

Schone, vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen.

Biotoop

De Sierlijke witsnuitlibel komt voor langs beschutte oeverzones van meren en in stilstaande, ongestoorde wateren met een rijke (submerse)watervegetatie, zoals veenplassen, vijvers en dode rivierarmen. De wateren zijn (matig) voedselrijk en doorgaans omgeven door bos. Door het kleine aantal Nederlandse waarnemingen van de soort zijn biotoopomschrijvingen vooral uit andere Europese landen bekend. L.caudalis plant zich alleen voort in water met een goed ontwikkelde submerse vegetatie van bijvoorbeeld vederkruid (Myriophyllum sp.), hoornblad (Ceratophyllum sp.), kranswieren (Characeae) en fonteinkruiden (Potamogeton sp.). De soort heeft een voorkeur voor water omgeven door bos, maar een hoge oevervegetatie van bijvoorbeeld riet (Phragmites australis) en lisdodde (Typha sp.) kan ook voldoende beschutting geven. Wat verder van de oever is een goed ontwikkelde gordel van zeggen (Carex sp.) en biezen (Scirpus sp.) van belang. Het centrale deel van het water moet open zijn. In tegenstelling tot wat vaak in de literatuur beweerd wordt, zijn drijvende waterplanten als waterlelie (Nymphaea alba) en gele plomp (Nupharlutea) geen voorwaarde – dergelijke planten zijn wel vaak te vinden op plaatsen waar de soort voorkomt, maar de submerse vegetatie is belangrijker. De drijvende waterplanten mogen geen gesloten oppervlak vormen (Bedjanic 1995, Bellmann 1987, Mauersberger & Heinrich 1993, Norling & Sahlén 1997, Pajunen 1964a, Prévost & Durepaire 1994, Schiel et al. 1997, Schorr 1990).
Anders dan bij de andere witsnuitlibellen is het water waarin L.caudalis zich voortplant veelal visrijk. In 2006 is zeer verrassend de soort waargenomen in de ENCI-vijver (Pietersberg, Maastricht) zowel solo en later in het jaar ook in een paringswiel en eiafzettend. De ENCI-vijver, een visvijver die wordt gebruikt door medewerkers van de ENCI-groeve, vormt mogelijk geschikt biotoop voor de soort. Wellicht duikt de soort ook nog op andere plaatsen met vergelijkbaar biotoop op. Sommige uitgezette vissoorten, zoals de graskarper (Ctenopharyngodonidella), hebben echter een duidelijk negatieve invloed doordat ze de submerse vegetatie omwoelen en de voedselrijkdom verhogen. De soort houdt niet van eutroof water, en ook van voedselarme, zure wateren zijn waarnemingen schaars. Het water moet helder zijn, met een zichtdiepte van één tot acht meter. Grote schommelingen in de waterstand worden slecht verdragen.
 
Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Korte vliegtijd: half mei tot en met eind juli, met een piek in juni. De meeste waarnemingen betreffen mannetjes die territoriaal gedrag bij het water vertonen. Een zeer kenmerkend beeld is een mannetje sierlijke witsnuitlibel dat op een waterlelieblad zit en zijn knotsvormige achterlijf regelmatig kaarsrecht omhoog houdt. Opvallend zijn dan de lichte basis van het achterlijf en alle witte ‘lichaamsuiteinden’: snuit, achterlijfsaanhangsels en pterostigma’s. Drijvende bladeren van waterlelie en gele plomp worden vaak als zitplaats gebruikt, vooral bladeren die enkele meters uit de kant liggen. Maar ook andere zitplaatsen in de oevervegetatie worden soms benut. Vanaf hun zitplaatsen maken mannetjes patrouillevluchten boven het water, vaak ver uit de kant. Andere libellen van gelijke grootte worden verjaagd, vrouwtjes van de eigen soort worden direct gegrepen voor de paring. De eitjes worden meestal solitair door het vrouwtje afgezet, los in het water boven ondergedoken waterplanten. Jonge imago’s die nog niet aan voortplanting toe zijn, houden zich verder van het water op in bomen en langs bosranden.

Mobiliteit

De sierlijke witsnuitlibel staat niet bekend als een soort die gemakkelijk nieuwe geschikte habitats koloniseert.

In Nederland
Ja
Regionaal

In Nederland zijn momenteel geen populaties bekend.

Europa

Vooral in Noordoost-Europa. In Centraal-Europa grotendeels verdwenen of sterk bedreigd, maar lokaal nog aanwezig. Ontbreekt in Zuidoost-Europa en ten zuiden van de Pyreneeën. Tevens afwezig op de Britse Eilanden.

Mondiaal

Oostelijk tot aan de Oeral en Centraal-Azië. Niet in Afrika.

Zeldzaamheid

Zeer zeldzaam. In 2006 dook de sierlijke witsnuitlibel op in de ENCI-groeve bij Maastricht. Hier werd een copula waargenomen. In 2007 en 2008 kon de soort niet worden teruggevonden. In 2010 werd in de Weerribben voor het eerst sinds de jaren '60 voortplanting vastgesteld: een vers uitgeslopen dier werd ontdekt en later werden twee larvenhuidjes gevonden. Het vermoeden dat hier een kleine populatie aanwezig zou moeten zijn is in 2011 bevestigd. Er zijn op een aantal plekken zowel in de Weerrribben als Wieden dieren gezien. Ook in 2011 werden er een paar larvenhuidjes gevonden.
 

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Lilypad Whiteface, Dainty White-faced Darter
Duitse naam
Zierliche Moosjungfer
Franse naam
Leuchorrhine à large queue
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) leukos=wit, rhinios=neuzig
(L.) caudalis=bijvoeglijk naamwoord van cauda (staart); duidt op de geaccentueerde vorm van het achterlijf

Auteursnaam en jaartal
(Charpentier, 1840)

Tijdschriften

Soorten uit dezelfde familie korenbouten (Libellulidae)

viervlek
Libellula quadrimaculata

oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia albifrons

beekoeverlibel
Orthetrum coerulescens

noordse witsnuitlibel
Leucorrhinia rubicunda

sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis

kempense heidelibel
Sympetrum depressiusculum

alle soorten uit deze familie