maanwaterjuffer Coenagrion lunulatum

Vrij donkere waterjuffer met groene tint, bij licht zure vennen.
Familie
waterjuffers (Coenagrionidae)
Onderfamilie
Coenagrioninae
Genus
Coenagrion
Onderorde
Juffers - Zygoptera
Zeldzaamheid

Vrij zeldzaam

Rode Lijst
kwetsbaar

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

30-33 mm. Stevig ogende, donkere waterjuffers. Mannetje: groene onderzijde van ogen, borststuk en vaak ook achterlijf. Overige lichte delen blauw. Zwarte tekening op achterlijfsrug zeer uitgebreid: segmenten 3 tot en met 6 met slechts beetje blauw aan de basis. Segment 7 (vrijwel) geheel donker, 8 en 9 grotendeels blauw. Segment 2 blauw met zwarte tekening: halvemaanvormige figuur (niet verbonden met achterrand) en twee losse zijstreepjes. De zijstreepjes ontbreken soms. Vrouwtje: onderkant ogen groen. Lichte delen borststuk en achterlijf lichtblauw tot groen. Aan de basis van segment 8 (bovenzijde) staat een opvallende blauwe vlek, die zodanig is gevormd dat een klokvormige zwarte figuur overblijft.

Vrouwtje: achterrand halsschild accoladevormig, met brede rechthoekige uitstulping in het midden.

Gelijkende soorten
Gelijkende soorten:

Andere blauwe juffers, vooral de zeldzame speerwaterjuffer. Blauwe juffers die vaak samen met de maanwaterjuffer voorkomen zijn azuurwaterjuffer en watersnuffel.

Meer over gelijkende soorten:

Mannetjes maanwaterjuffer zijn makkelijk van andere soorten te onderscheiden door de grote hoeveelheid zwart op het achterlijf en de groene onderkant van kop, borststuk en (vaak) achterlijf. De speerwaterjuffer komt qua lichaamskleur het dichtst bij de maanwaterjuffer in de buurt, maar heeft meer blauw op het achterlijf en meestal minder groen. Het zwarte figuurtje op segment 2 van de speerwaterjuffer kan soms bedrieglijk veel op dat van de maanwaterjuffer lijken. Vrouwtjes maanwaterjuffer zijn vrij makkelijk van andere soorten te onderscheiden door de typisch gevormde blauwe tekening op segment 8. Bij twijfel moet naar de vorm van de achterrand van het halsschild gekeken worden.

kanaaljuffer
Erythromma lindenii

watersnuffel
Enallagma cyathigerum

donkere waterjuffer
Coenagrion armatum

azuurwaterjuffer
Coenagrion puella

lantaarntje
Ischnura elegans

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum

gaffelwaterjuffer
Coenagrion scitulum

variabele waterjuffer
Coenagrion pulchellum

mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale

Uiterlijk van de larve

Lengte: 19 - 25 mm. waarvan de achterlijfaanhangsels, procten, 5 - 8 mm. Een vrij kleine larve met een relatief lang en een vrij breed vangmasker, prementum.
De procten hebben een afgeronde uiteinde en geen bandering. De randen van het achterste (distale) deel van de procten zijn verdikt. De beadering van het achterste en voorste deel van de procten zijn gelijk.

Verwarring met andere larven

Donkere waterjuffer en de speerwaterjuffer, deze drie soorten hebben aan het achterste deel van de procten een verdikte rand. De donkere waterjuffer heeft echter een ongelijke beadering in het het voorste en achterste deel van de procten en een kort (en breed) prementum. Het verschil met de speerwaterjuffer is moeilijk waar te nemen het heeft een iets slanker prementum.

Levenscyclus

Eenjarige levenscyclus. De larven gaan volgroeid de winter in en sluipen in het voorjaar uit (eind april tot eind juni).

De larvenhuidjes zijn te vinden op de oevervegetatie en emerse watervegetatie (voor een deel boven het water, zoals krabbescheer), maximaal enkele decimeters hoog maar meestal net boven de waterlijn, soms met de procten nog in het water.
Leefomgeving van de larve

In ondiep, relatief open water, met een lage dichtheid van uit het water stekende planten. Dichte veenmosvegetaties worden waarschijnlijk vermeden.

Habitat

Zure, maar niet sterk verzuurde vennen. Daarnaast ook hoogveen en zand- of leemplassen, meestal recent gegraven.

Biotoop

Bijna tweederde van de Nederlandse waarnemingen van de Maanwaterjuffer is afkomstig van zure, voedselarme vennen in heidegebieden, op hoogvenen en in bossen. Daarnaast kan de soort voorkomen bij – met name recent gegraven – voedselrijke wateren en bij zand- en leemplassen. In het Fochtelooërveen prefereert hij tamelijk diepe, niet-zure, voedselarme plassen met een arme begroeiing (Beukeboom 1985, Wasscher 1986, 1992b). Op voedselrijkere plassen wordt de soort vooral gevonden nabij drijvende waterplanten, zoals drijvend fonteinkruid (Potamogetonnatans) en gele plomp (Nupharlutea) (Abbingh 1993, Geijskes & Van Tol 1983, Lehmann 1985). Elders in het verspreidingsgebied lijkt hij geen voorkeur voor zure, voedselarme wateren te hebben. Verder noordelijk en oostelijk in Europa (bijvoorbeeld in het Duitse Mecklenburg) komt hij vooral voor bij eutrofe, heldere plassen, zoals klei-, grind- en zandgroeven (Heidemann &
Seidenbusch 1993).
 
In de actualisatie van de verspreiding Nederlandse libellen wordt hierop, ten opzichte van het biotoop, het volgende aanvullende vermeld(2008):
De afgelopen tien jaar is de biotoop van de maanwaterjuffer niet drastisch veranderd. Evenwel moet geconcludeerd worden dat een goede habitatbeschrijving van deze enigmatische juffer nog steeds niet gegeven kan worden. Er kunnen nog erg veel vragen over deze soort worden gesteld. Waar leven de larven? Hoe belangrijk zijn verlandingen met zeggen (Carex sp.) en veenpluls (Eriophorum sp.)? Op veel vennen met grote populaties is Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) aanwezjg, is dat daar een vereiste? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen in vegetatiestructuur en waterkwaliteit van de habitats in de duinen, de hogere zandgronden en de Nederlandse hoogvenen?
 
Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Eind april tot eind juli. Hoofdvliegtijd zeer kort, van eind mei tot half juni. In geschikt biotoop en bij geschikte weersomstandigheden kunnen imago’s plotseling massaal aanwezig zijn. Imago’s vliegen vooral aan de rand van open water en uit het water stekende vegetatie (veenpluis, snavelzegge, pitrus e.d.). Ook verder van het water aan te treffen bij struiken en ruigte. Eitjes worden in tandem onder de waterspiegel afgezet in stengels van verschillende plantensoorten.

Mobiliteit

Het voorkomen bij recent gegraven plassen wijst erop dat de maanwaterjuffer vrij snel nieuwe geschikte habitats weet te vinden. Zwervende dieren worden echter zelden aangetroffen.

In Nederland
Ja
Regionaal

Vooral in Oost-Nederland, op de hoge zandgronden. Zwaartepunt in Drenthe.

Europa

Vooral in Noordoost-Europa: Scandinavië, Nederland, Duitsland, Polen, Baltische Staten, Wit-Rusland, Rusland, Oekraïne. Meer naar het zuiden toe enkele lokale vindplaatsen. Wel in Ierland, maar vreemd genoeg niet in Groot-Brittannië.

Mondiaal

Vooral in Noordoost-Europa: Scandinavië, Nederland, Duitsland, Polen, Baltische Staten, Wit-Rusland, Rusland, Oekraïne. Meer naar het zuiden toe enkele lokale vindplaatsen. Wel in Ierland, maar vreemd genoeg niet in Groot-Brittannië.

Zeldzaamheid

Vrij zeldzaam.

Trends

Matige afname in de periode 1999-2006.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Crescent Bluet, Irish damselfly
Duitse naam
Mond-Azurjungfer
Franse naam
Agrion à lunules
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) koinos=gewoon, algemeen, gemeenschappelijk met achtervoegsel agrion; agrion is vermoedelijk afgeleid van (Gr.) agrios (wild, landelijk) of agreus (jager); veel gebruikt achtervoegsel voor juffers
(L.) lunulatum=met een lunula (half maantje)

Auteursnaam en jaartal
(Charpentier, 1840)

Nieuws

Geen resultaten.

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie waterjuffers (Coenagrionidae)

vuurjuffer
Pyrrhosoma nymphula

koraaljuffer
Ceriagrion tenellum

gaffelwaterjuffer
Coenagrion scitulum

mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale

kleine roodoogjuffer
Erythromma viridulum

lantaarntje
Ischnura elegans

alle soorten uit deze familie