platbuik Libellula depressa

De breedste libel.
Familie
korenbouten (Libellulidae)
Onderfamilie
Libellulinae
Genus
Libellula
Onderorde
echte libellen - Anisoptera
Zeldzaamheid

Zeer algemeen

Rode Lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

39-48 mm. Forse libel, die extra groot oogt vanwege het zeer brede achterlijf. Zowel voorvleugels als achtervleugels aan de basis met donkere vlek. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend geel. Schouders met crèmekleurige streep. Mannetje: achterlijf na het uitsluipen oranje, met gele zomen aan de segmentranden. Na enige tijd raakt het achterlijf blauw berijpt, waarbij alleen de gele zomen langs de segmentranden nog zichtbaar blijven. Bij oude mannetjes verdwijnen ook de gele zomen onder de blauwe berijping, waardoor het achterlijf geheel blauw wordt. Vrouwtje: achterlijf na het uitsluipen vergelijkbaar met mannetje: oranje met gele zomen langs de segmentranden. Bij uitgekleurde vrouwtjes is het oranje verkleurd naar bruin, terwijl de gele zomen zichtbaar blijven. Erg oude vrouwtjes kunnen enige blauwe berijping op het achterlijf vertonen, maar zelden zo uitgebreid als bij het mannetje. Vrouwtjes en jonge mannetjes: in het achterlijf zijn vaak opvallende luchtbellen zichtbaar.

Gelijkende soorten
Gelijkende soorten:

Gewone oeverlibel, viervlek.

Meer over gelijkende soorten:

Gewone oeverlibellen zijn ook vrij breed gebouwd, maar niet zo breed als de platbuik. Mannetjes gewone oeverlibel vertonen ook de blauwe berijping op het achterlijf, vaak met gele zomen langs de segmentranden. Ze hebben echter een duidelijke zwarte punt aan het achterlijf, die ontbreekt bij de platbuik. Vrouwtjes gewone oeverlibel hebben een geel achterlijf met twee zwarte lengtestrepen, die ontbreken bij de platbuik. Verder heeft de gewone oeverlibel geen zwarte vlekken in de basis van de vleugels en geen crèmekleurige schouderstrepen.
De viervlek is eveneens een vrij breed gebouwde libel, met dezelfde oranje tot bruine grondkleur als vrouwtjes en jonge mannetjes platbuik. Viervlekken zijn echter minder breed gebouwd, hebben een zwarte achterlijfspunt en zwarte vlekjes halverwege de vleugelvoorrand. Ze hebben hooguit grijze, maar nooit blauwe berijping en geen crèmekleurige schouderstrepen.

viervlek
Libellula quadrimaculata
Libellulidae: Libellulinae

gewone oeverlibel
Orthetrum cancellatum
Libellulidae: Libellulinae

bruine korenbout
Libellula fulva
Libellulidae: Libellulinae

Uiterlijk van de larve

Lengte 21 -26 mm.
Een vrij grote korenbout met zwak ontwikkelde rugdoornen en de rugdoorn op segment 9 is afwezig. De labiale palp heeft diep ingesneden golfvormige tanden. De ogen zijn relatief klein en knopvormig en steken iets naar buiten uit. De huidjes zijn weinig variabel van kleur.

Verwarring met andere larven

De platbuik lijkt op de viervlek, maar bij deze soort zijn de tanden van de labiale palp ondiep ingesneden met vrij vlakke tanden. Ook de ogen van de viervlek zijn wat groter en steken minder uit. Verder is er verwarring mogelijk met de bruine korenbout, deze is echter groter en heeft sterker gekromde rugdoornen en een rugdoorn op segment 9.

Levenscyclus

De larven overwinteren meestal twee keer, maar in snel opwarmende wateren kan dit ook één keer zijn. Uitsluipen gebeurt van eind april tot eind juni, voornamelijk in mei.

De larvenhuidjes kunnen tot meer dan tien meter van het water gevonden worden zeker wanneer er geen of nauwelijk voldoende vegetatie of andere uitsluipsubstraten aanwezig zijn.
De eieren zijn 0,6 tot 0,8 mm lang en 0,3 tot 0,5 mm breed, ovaal van vorm, aan de polen spits; ze zijn eerst wit en later geel en bruin van kleur.
(overgenomen uit soortenbank)
Leefomgeving van de larve

De larven leven op de bodem en kunnen zich ingraven. Eenmaal ingegraven in de modder kunnen ze tijden van droogte goed overleven.

Habitat

Stilstaande en zwak stromende wateren die zich in een pionierstadium bevinden, zoals pas gegraven poelen, vijvers, sloten, enz.

Biotoop

Als een echte pionier wordt de Platbuik veelal aangetroffen bij door mensen gecreëerde wateren, zoals weidepoelen, leemkuilen, pas gegraven sloten en plasjes, steengroeven – ondiep water met weinig begroeiing op de oevers. Daarnaast komt de soort voor bij ondiepe heide- of duinplassen, zelden bij vennen. Als één van weinig libellensoorten is hij vaker te zien in agrarische en stedelijke gebieden dan in natuurgebieden. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor kleine en middelgrote wateren op leem- en zandgrond – de waarnemingen in uiterwaarden zijn meestal afkomstig van wateren op (kleiig) zand. Grote plassen en wateren op klei en veen worden gemeden. Voortplanting gebeurt over het algemeen bij wateren met een spaarzame oeverbegroeiing en weinig waterplanten. Bij een dichte begroeiing met waterplanten – volgens Schorr (1990) bij een bedekking van meer dan 50% van het oppervlak – verdwijnt de soort meestal. In Engeland komt hij ook voor op hoogveenplassen (Merritt et al. 1996). In oostelijke, zuidelijke en hogere delen van Europa plant hij zich ook voort in stromend water (Schorr 1990).
 
Overgenomen (met toestemming) uit:

 

Vliegtijd en gedrag

Van eind april tot begin september, met een piek in de tweede helft van mei en de eerste helft van juni. Jonge imago´s vliegen weg van het water en zijn soms in grote dichtheden te vinden langs bosranden en houtwallen. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water waar ze veelvuldig boven het water patrouilleren. Tussen de patrouillevluchten door gaan ze vaak op een vaste uitkijkplaats in de oever zitten, zoals een uitstekende tak. Andere mannetjes worden fanatiek verjaagd, terwijl met vrouwtjes direct in de lucht wordt gepaard. Vrouwtjes zetten klompjes af door vliegend het achterlijf ritmisch in water te dopen. Meestal wordt ze hierbij bewaakt door het mannetje, dat vlak bij haar blijft vliegen en andere mannetjes op een afstand houdt.

Mobiliteit

Zeer mobiel, kan nieuwe wateren snel vinden en koloniseren.

In Nederland
Ja
Regionaal

Overal in Nederland aan te treffen, maar de hoogste dichtheden op de zand- en lössgronden in het binnenland.

Europa

Vrijwel overal in Europa. Niet in Ierland, Schotland en de noordelijke helft van Scandinavië.

Mondiaal

Oostelijk tot in Centraal-Azië, niet in Afrika.

Zeldzaamheid

Zeer algemeen, ook in het westen en noorden wordt de soort zeer algemeen.
 

Trends

Stabiel in de periode 1999-2007.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Broad-bodied Chaser
Duitse naam
Platbauch
Franse naam
Libellule déprimée
Toelichting wetenschappelijke naam

(L.) libellula=verkleinwoord van “libella”, een woord dat al in de middeleeuwen voor deze insecten werd gebruikt en waarvan ons woord “libel” is afgeleid
(L.) depressa= afgeplat, platgedrukt

Auteursnaam en jaartal
Linnaeus, 1758

Soorten uit dezelfde familie korenbouten (Libellulidae)

zuidelijke heidelibel
Sympetrum meridionale

zwervende heidelibel
Sympetrum fonscolombii

sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis

gevlekte witsnuitlibel
Leucorrhinia pectoralis

bruinrode heidelibel
Sympetrum striolatum

zwarte heidelibel
Sympetrum danae

alle soorten uit deze familie