zwervende heidelibel Sympetrum fonscolombii

Zuidelijke zwerver die Nederland heeft veroverd.
Familie
korenbouten (Libellulidae)
Onderfamilie
Sympetrinae
Genus
Sympetrum
Onderorde
echte libellen - Anisoptera
Zeldzaamheid

Inmiddels een vrij algemene soort.

Rode Lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

33-40 mm. Poten zwart met gele strepen. Onderkant van de ogen kenmerkend blauwgrijs gekleurd. Meestal een vrij grote gele vlek in de basis van de achtervleugels. Exemplaren met hele kleine of aanzienlijk grotere vlekken komen ook voor. Pterostigma’s geel met dikke zwarte randaders. Zwervers uit Zuid-Europa hebben vaak rode mijten op de vleugeladers. Mannetje: achterlijf recht, zonder verbredingen. Bij uitgekleurde mannetjes is het achterlijf in bovenaanzicht diep rood. In zijaanzicht loopt een onderbroken lijn van zwarte streepjes, maar de onderkant van het achterlijf is niet zwart. De voorste vleugeladers zijn opvallend rood. Op de zijkanten van het borststuk ontstaat een blauwige zweem. Jonge mannetjes lijken qua achterlijfskleur meer op vrouwtjes. Vrouwtje: grondkleur van het achterlijf aanvankelijk citroengeel, later donkergeel tot strokleurig. Achterlijf heeft in zijaanzicht meestal twee vrijwel doorlopende zwarte lengtestrepen, waarvan de bovenste duidelijk onderbroken is en daardoor uit losse streepjes bestaat. Bij oude vrouwtjes raakt de onderkant van het achterlijf zilvergrijs bestoven, waardoor de onderste zwarte lengtestreep niet meer opvalt. De meer centraal geplaatste rij van streepjes blijft wel zichtbaar. Voorste vleugeladers geel.

De vorm van de hamulus (mannetjes) en legschede (vrouwtjes) kan uitsluitsel geven bij het determineren van heidelibellen. Het dier moet hiervoor echter worden gevangen en met een loep worden bekeken.

Gelijkende soorten

Gelijkende soorten:

Andere heidelibellen, vooral geelvlekheidelibel. Mannetjes kunnen verward worden met de vuurlibel.

Meer over gelijkende soorten:

Geelvlekheidelibellen hebben ook een oranje vlek in de achtervleugels en een vergelijkbare achterlijfsvorm. De vleugelvlekken zijn bij deze soort echter meestal groter. Geelvlekheidelibellen missen de blauwgrijze onderkant van de ogen en de uitgebreid rood of geel gekleurde aders aan de voorkant van de vleugels. Uitgekleurde mannetjes geelvlekheidelibel hebben een achterlijf dat meer donkeroranje dan dieprood is gekleurd en ze missen de blauwige zweem op de zijkanten van het borststuk. Vrouwtjes geelvlekheidelibel hebben een vergelijkbaar patroon van strepen op de zijkant van het achterlijf, maar de bovenste streep is vrijwel niet onderbroken.

vuurlibel
Crocothemis erythraea

tangpantserjuffer
Lestes dryas

steenrode heidelibel
Sympetrum vulgatum

bloedrode heidelibel
Sympetrum sanguineum

geelvlekheidelibel
Sympetrum flaveolum

Uiterlijk van de larve

Lengte: 15 - 20 mm. Vrij kleine korenbout zonder rugdoornen en met een korte zijdoorn op segment 9. Onder vergroting is te zien dat het op de grote buikplaat (Mesosterniet)minder dan 5 borstelharen heeft.
De larvenbhuidjes zijn verder variabel van kleur met opvallende banden in de lengterichting op de rug.

Verwarring met andere larven

Te onderscheiden van alle andere heidelibellen (sympetrum-soorten) door het ontbreken van de rugdoornen. Verwarring is mogelijk met de Vuurlibel, omdat deze ook geen rugdoornen heeft, maar deze heeft op achterrand sterniet 7 en 8 een rij borstelharen. (soortenbank.nl)

Levenscyclus

In Nederland brengen de larven nul of een winter door. In het voorjaar komen zwervende heidelibellen vanuit Zuid-Europa naar Nederland en vindt hier voortplanting plaats. De meeste larven ontwikkelen zich binnen enkele maanden en sluipen in de zomer van hetzelfde jaar nog uit, vooral in de periode eind augustus-begin september. Sommige larven halen dat niet en zijn genoodzaakt te overwinteren. In het voorjaar zijn daarom kleine aantallen uitsluipende zwervende heidelibellen waarneembaar. De najaarsgeneratie (dus de nakomelingen van de immigranten) planten zich nauwelijks voort in Nederland. Het is onduidelijk of zij sterven zonder zich voort te planten, of dat zij terugvliegen naar Zuid-Europa, zoals ook een deel van de Nederlandse atalanta’s en distelvlinders dat doen.

De larvenhuidjes zijn meestal tot een hoogte van een halve meter in de oevervegetatie te vinden maar soms wel hoger of wat verder van het water verwijderd.
De eieren zijn roodbruin, hebben de vorm van een ellips, zijn 0,5 mm lang en 0,4 mm breed, hebben aan de bovenste pool een tepelvormig uitsteekseltje. Ze zijn omgeven met een gel-achtige substantie, waardoor ze aan voorwerpen waarmede ze in aanraking komen, vastplakken.
Leefomgeving van de larve

De larven leven tussen waterplanten en op de bodem, en graven zich regelmatig in de modder in.

Habitat

Stilstaand water met een pionierkarakter: ondiepe zandige plassen met weinig vegetatie. Vaak zijn dit pas gegraven plassen of plassen die in de zomerperiode uitdrogen. Soms ook in meer permanente plassen met meer vegetatie.

Biotoop

Relatief warme, stilstaande wateren vormen de ideale voortplantingsbiotoop voor de Zwervende heidelibel. Dergelijke plassen zijn vaak tijdelijk of recent van aard en meestal weinig begroeid en ondiep. In 1996 werden waarnemingen gedaan bij middelgrote wateren zoals zandwinplassen, duinmeren, infiltratiegeulen, groeven, vennen en pasgegraven poelen. Deze wateren waren vaak modderig, ondiep en onbeschaduwd, en hadden kale, zandige oevers (Dijkstra & Van der Weide 1997, Lempert 1997). Zuidelijker in het areaal is de soort minder kieskeurig, wellicht omdat de temperatuur er hoger is. Zo wordt de biotoop in Frankrijk juist gevormd door rijkbegroeide wateren (Dommanget 1987, Lempert 1987).

Overgenomen (met toestemming) uit:

 

Vliegtijd en gedrag

Van half mei tot eind oktober, met een piek in het voorjaar en een piek in de nazomer. De precieze timing van de pieken verschilt per jaar en is afhankelijk van de periode waarin de meeste zwervers uit Zuid-Europa in Nederland arriveren. Meestal is dit in de eerste helft van juni. De tweede (kleinere) piek volgt ongeveer drie maanden later en bestaat voor een groot deel uit nakomelingen van de zwervers. Dit is meestal in eind augustus en begin september. Jonge zwervende heidelibellen trekken weg van het voortplantingswater en komen daar in de meeste gevallen waarschijnlijk niet meer terug. Ze gaan op zoek naar nieuwe voortplantingsplaatsen. Geslachtsrijpe mannetjes die bij het water zijn aankomen gedragen zich actiever en agressiever dan de meeste andere heidelibellen. Hun gedrag lijkt meer op dat van de vuurlibel. Vanaf vaste uitkijkposten langs de oever maken ze snelle patrouillevluchten over het water. Andere mannetjes worden agressief achtervolgd en verjaagd. Vrouwtjes worden gegrepen voor de paring. De eitjes worden in tandempositie al vliegend afgezet. Het vrouwtje doopt daarbij ritmisch haar achterlijfpunt in het water. Mocht de tandem verbroken worden, dan gaat het vrouwtje alleen verder.

Mobiliteit

Zeer mobiele soort, befaamd door zijn zwerfgedrag. Jonge dieren leggen vaak grote afstanden af.

In Nederland
Ja
Regionaal

Wordt verspreid door heel Nederland waargenomen, maar de meeste waarnemingen komen van de binnenlandse zandgronden en de duinen. In Groningen en Friesland nog schaars.

Europa

Zuidelijke soort, die zijn areaal de laatste jaren flink naar het noorden heeft uitgebreid. De noordgrens van het areaal loopt nu door Ierland, Schotland, Noord-Duitsland, Polen, Wit-Rusland en de Oekraïne. In het noordelijk deel van zijn verspreidingsgebied wisselen de aantallen van jaar tot jaar sterk, afhankelijk van het voorkomen van invasies. In Zuid-Europa een zeer algemene soort met meerdere generaties per jaar.

Mondiaal

Wijd verbreid in Europa, Azië en Afrika.

Zeldzaamheid

Inmiddels een vrij algemene soort, hoewel de inlandse populatie nog steeds jaarlijks wordt aangevuld met een wisselend aantal immigranten.
 

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Red-veined Darter
Duitse naam
Frühe Heidelibelle
Franse naam
Sympétrum à nervures rouges
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) sym-piezein=samengedrukt, etron=onderlichaam; duidt op het smalle achterlijf in vergelijking tot korenbouten (Libellula) en oeverlibellen (Orthetrum); onjuist is de verklaring van Robert (1959), dat de naam duidt op de gewoonte om op stenen te zitten (Gr.) petros=steen
fonscolombii=vernoemd naar de Franse entomoloog E.L.J.H. Boyer de Fonscolombe (1772-1853)

Auteursnaam en jaartal
(Selys, 1840)

Nieuws

Geen resultaten.

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie korenbouten (Libellulidae)

sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis

beekoeverlibel
Orthetrum coerulescens

bruinrode heidelibel
Sympetrum striolatum

geelvlekheidelibel
Sympetrum flaveolum

oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia albifrons

zuidelijke oeverlibel
Orthetrum brunneum

alle soorten uit deze familie