donkere waterjuffer Coenagrion armatum

Zeer zeldzame soort die schuil gaat in laagveenmoerassen.
Familie
waterjuffers (Coenagrionidae)
Onderfamilie
Coenagrioninae
Genus
Coenagrion
Onderorde
Juffers - Zygoptera
Zeldzaamheid

Zeer zeldzaam

Rode Lijst
ernstig bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

31-34 mm. Zeer donker gekleurde waterjuffers met contrasterende lichte delen aan het begin en aan het einde van het achterlijf. Mannetje: enige waterjuffer met geheel donkere achterlijfsegmenten 4, 5 en 6 (bovenaanzicht). Lichte delen op borststuk, begin achterlijf en top achterlijf kunnen blauw zijn, maar hebben vaak een groene zweem. Dit levert een kenmerkende turkooizen kleur op. In het lichtgekleurde segment 9 staat een zwarte, bekervormige figuur. Schouderstrepen ontbreken of zijn sterk gereduceerd. De onderste achterlijfsaanhangselen zijn opvallend lang en breed, met het blote oog goed zichtbaar. Vrouwtje: lichte delen op borststuk, begin achterlijf en top achterlijf zijn lichtblauw tot groen, soms roze. Segment 2 licht met een spitse, vaak ruitvormige zwarte vlek. Segment 8 licht met bekervormige zwarte vlek. Segmenten 4 tot en met 7 geheel donker (bovenaanzicht). Schouderstrepen normaal ontwikkeld.

Mannetje: onderste achterlijfsaanhangsels zeer groot, tweemaal zo lang als segment 10. Vaak met grijzige berijping. Vrouwtje: achterrand halsschild met rechthoekige uitstulping in het midden.

Gelijkende soorten

Gelijkende soorten:

Vrouwtje variabele waterjuffer (donkere vorm) en lantaarntje.

Meer over gelijkende soorten:

Mannetjes van donkere waterjuffer zijn eigenlijk onmiskenbaar. Eventueel kan verwarring optreden met donkere varianten van de variabele waterjuffer of met het lantaarntje. De enorme onderste achterlijfsaanhangselen van mannetjes donkere waterjuffer sluiten echter elke twijfel uit. In vlucht vallen mannetjes donkere waterjuffer vaak op door de typische turkooizen kleur. Dit helpt om donkere waterjuffers eruit te pikken, tussen de vaak talrijk aanwezige variabele waterjuffers. Vrouwtjes donkere waterjuffer zijn veel makkelijker met andere waterjuffers te verwarren, vooral met variabele waterjuffer. De belangrijkste verschillen met deze soort zijn de grote hoeveelheid blauw (of andere lichte kleur) aan het begin van het achterlijf, met daarin een spitse zwarte tekening, en het blauwe segment 8, met daarin een zwarte bekervormige tekening. In geval van twijfel geeft de vorm van de achterrand van het halsschild uitsluitsel.

kanaaljuffer
Erythromma lindenii

maanwaterjuffer
Coenagrion lunulatum

watersnuffel
Enallagma cyathigerum

azuurwaterjuffer
Coenagrion puella

lantaarntje
Ischnura elegans

gaffelwaterjuffer
Coenagrion scitulum

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum

variabele waterjuffer
Coenagrion pulchellum

mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale

Uiterlijk van de larve

Lengte: 19 - 23 mm. waarvan de achterlijfaanhangsels, procten, 7 - 8 mm. De procten hebben een afgeronde uiteinde en geen bandering. De randen van het achterste (distale) deel van de procten zijn verdikt en dit deel is sterker beaderd dan het voorste (basale) deel. Ze hebben een niet-gesteeld kort en breed vangmasker, prementum

Verwarring met andere larven

Speerwaterjuffer en de maanwaterjuffer, deze drie soorten hebben aan het achterste deel van de procten een verdikte rand. Onderscheid met de donkere waterjuffer is het prementum, deze is bij de speer-en maanwaterjuffer langer en slanker ook zijn de voor- en achterste deel van de procten bij speer- en maanwaterjuffer gelijk beaderd.

Levenscyclus

De levenscyclus duurt waarschijnlijk een jaar. De larven gaan volgroeid de winter in en sluipen in korte tijd uit in het vroege voorjaar: eind april tot half mei.

Deze zijn weinig variabel van kleur.
Leefomgeving van de larve

In de verlandingsvegetatie tussen ondergedoken waterplanten (bijvoorbeeld klein blaasjeskruid), meestal op plaatsen met veel uit het water stekende plantenstengels (riet, holpijp, enz.).

Habitat

In Nederland enkel in laagveenmoeras. Hier komt de soort voor in verlande petgaten, met een kritische dichtheid van plantenstengels in het water (niet te dicht en niet te open).

Biotoop

Bij alle vroegere en huidige Europese vindplaatsen ,van de Donkere waterjuffer, is het water tamelijk ondiep (variërend van 10 (Weerribben, (Ketelaar)) tot 100 cm) en wordt de vegetatie gedomineerd door grote sprieterige planten in het water – zoals riet (Phragmites australis), kleine lisdodde (Typhaangustifolia), zeebies (Bolboschoenusmaritimus), snavelzegge (Carexrostrata) en/of holpijp (Equisetumfluviatile) – in een kritische dichtheid, niet te dicht en niet te open. Uit de waarnemingen in Nederland blijkt dat de soort zich hier voornamelijk in matig voedselarme (laagveen)moerassen voortplant. In De Weerribben vliegt de Donkere waterjuffer in verlandingsvegetaties met Riet, Holpijp(Equisetum fluviatile), Zeggen en Kleine lisdodde (Typha latifolia). Het water is vrij ondiep (10-50 cm) en de stengels van genoemde plantensoorten staan altijd relatief dicht op elkaar. Wat structuur betreft lijken de locaties in De Weerribben sterk op een aantal onderzochte locaties in Zweden en Noorwegen (KETELAAR, 2001b). In vergelijking met deze referentiegebieden zijn de plekken in De Weerribben relatief voedselrijk.
Mogelijk is de waterkwaliteit van de locatie in De Weerribben goed (zeer fosfaatarm) van cruciale betekenis voor de soort. Het voedselarme karakter van de plek in de Weeribben blijkt uit de aanwezigheid van blaasjeskruid (Utricularia sp.).
In Zweden en Noorwegen vliegt de Donkere waterjuffer ook in kwelgevoede holpijpvelden van afgesloten rivierarmen, zeggenrijke verlandingsgordels van grote meren, trilveenvegetaties en zeggeverlanding in matig voedselarme vennen.
In Groot-Brittannië kwam de Donkere waterjuffer voor in mesotrofe poelen en sloten met een rijke oeverbegroeiing van riet en zeggen (Carex sp.). In Noord-Duitsland kwam de soort voor in mesotrofe veen- en heideplasjes met oever- en waterplanten als veenpluis (Eriophorumangusti-folium), waterdrieblad (Menyanthestrifoliata), duizendknoopfonteinkruid (Potamogetonpolygonifolius), blaasjeskruid en veenmos (Sphagnum). Op een aantal Duitse vindplaatsen zou Equisetum gestaan hebben – waarschijnlijk werd holpijp (E.fluviatile) bedoeld, een indicator voor kwel. Ook werd de soort aangetroffen in een verzoete polder bij ondiep water met een rijke vegetatie met zeebies (Bolboschoenus maritimus) en riet. De zuurgraad van het water op deze afwijkende vindplaats was uitzonderlijk hoog, pH=9 (Kelm 1983). In Wit-Rusland vliegt C.armatum in vegetaties die sterk gedomineerd worden door snavelzegge en holpijp, en ook hier zijn nitraat- en fosfaatgehalte laag (pers.med. K.-D. Dijkstra). In Finland, waar C.armatum tamelijk algemeen is, worden vegetatierijke leemplasjes als belangrijkste biotoop genoemd. Door de onderlaag van leem hebben deze een waterspiegel die hoger ligt dan het eigenlijke grondwaterniveau (een zogenaamde schijngrondwaterspiegel). (Merritt et al. 1996, Schmidt 1978, Valle 1938, Valtonen 1980).

Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Van eind april tot eind mei. Hoofdvliegtijd zeer kort en sterk afhankelijk van het weer, meestal in de eerste helft van mei. De imago’s vliegen goed verscholen tussen halfopen, in het water staande rietvegetatie. Behalve dat ze tussen de stengels makkelijk over het hoofd zijn te zien, gaan ze schuil tussen een meestal veel grotere groep variabele waterjuffers. Eitjes worden in tandem afgezet op drijvende en ondergedoken planten.

Mobiliteit

Beperkt, slechts korte afstanden kunnen worden afgelegd.

In Nederland
Ja
Regionaal

Natuurgebied De Weerribben, in het noorden van Overijssel.

Europa

Noordoostelijke soort: Finland, Zuid-Zweden, Zuidoost-Noorwegen, Baltische Staten, Polen, Wit-Rusland, Rusland en Oekraïne. In West-Europa vrijwel overal verdwenen, alleen nog zeer lokaal in Duitsland, Denemarken en Nederland. Uitgestorven in Engeland.

Mondiaal

Oostelijk tot in Siberië en Mongolië.

Zeldzaamheid

Zeer zeldzaam. De Weerribben is momenteel de enige bekende populatie.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Concrete bedreiging
  • Verdroging van geschikte moerassituaties. Verdroging kan een direct negatief effect hebben op de habitat van de larven, maar ook een indirect effect omdat het wegvallen van kwel voor een verslechtering van de waterkwaliteit zorgt. In De Weerribben (de enige actuele vindplaats) speelt kwel echter geen rol. 
  • Eutrofiëring door inlaat van te voedselrijk boezemwater heeft in de laagveengebieden tot gevolg gehad dat petgaten versneld zijn dichtgegroeid met riet en grote lisdodde. In De Weerribben is de inlaat van boezemwater echter wel van groot belang om de waterstand stabiel te houden en verzuring te voorkomen. Dit boezemwater is echter van goede kwaliteit. 
  • Ook bij geschikte waterkwaliteit zal verdere verlanding van vliegplaatsen van de donkere waterjuffer als natuurlijk proces plaatsvinden. Geschikte vegetaties kunnen daardoor verdwijnen.
  • Het rigoureus opschonen van petgaten is desastreus voor een populatie donkere waterjuffers. 
  • De donkere waterjuffer heeft een lage mobiliteit. Bij het verdwijnen van geschikte voortplantingsplaatsen kan de soort moeilijk uitwijken naar nieuwe geschikte gebieden, tenzij deze in de directe nabijheid liggen.
  • De donkere waterjuffer is een noordelijke soort, die in Nederland de zuidgrens van zijn areaal bereikt. Het is denkbaar (maar niet bewezen) dat de opwarming van het klimaat een extra bedreiging vormt voor de populatie in Nederland.
Aanbevolen beheersmaatregel
  • Stabilisering van waterstanden in laagveengebieden is van belang.
  • Lichte buffering door kwel of boezemwater moet worden bevorderd. Het boezemwater moet echter schoon, niet te voedselrijk en vooral fosfaatarm zijn.
  • Voor het duurzaam voortbestaan van een populatie donkere waterjuffers dient een aaneenschakeling van petgaten in jonge verlandingsstadia aanwezig te zijn. Donkere waterjuffers zoeken voortdurend nieuwe geschikte voortplantingsplaatsen op, maar kunnen daarbij slechts kleine afstanden overbruggen. Nieuwe petgaten kunnen worden aangelegd door in het veen kleine, lijnvormige waterlichamen te graven, met flauwe oevers en een maximale diepte van 1 tot 1,5 meter.
  • Wintermaaibeheer zoals dat door riettelers in De Weerribben wordt uitgevoerd blijkt geschikte vegetaties op te leveren. Met name bij petgaten die te ver dreigen dicht te groeien dient dit beheer te worden toegepast. Branden van overjarig riet moet niet worden toegepast op plaatsen waar de donkere waterjuffer aanwezig is.
Engelse naam
Dark Bluet, Norfolk Damselfly
Duitse naam
Hauben-Azurjungfer
Franse naam
Agrion armé
Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) koinos=gewoon, algemeen, gemeenschappelijk met achtervoegsel agrion; agrion is vermoedelijk afgeleid van (Gr.) agrios (wild, landelijk) of agreus (jager); veel gebruikt achtervoegsel voor juffers
(L.) armatum=gewapend; duidt vermoedelijk op de enorme onderste achterlijfsaanhangsels van het mannetje

Auteursnaam en jaartal
(Charpentier, 1840)

Nieuws

Geen resultaten.

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie waterjuffers (Coenagrionidae)

tengere grasjuffer
Ischnura pumilio

kleine roodoogjuffer
Erythromma viridulum

vuurjuffer
Pyrrhosoma nymphula

kanaaljuffer
Erythromma lindenii

azuurwaterjuffer
Coenagrion puella

speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum

alle soorten uit deze familie