gevlekte glanslibel Somatochlora flavomaculata

Specialist van moerassen.
Familie
glanslibellen (Corduliidae)
Onderfamilie
Corduliinae
Genus
Somatochlora
Onderorde
echte libellen - Anisoptera
Zeldzaamheid

Vrij zeldzaam

Rode Lijst
bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

45-54 mm. Achterlijf zeer donker glimmend groen, meestal zwart lijkend. Borststuk metaalgroen met gouden glans. Ogen eerst dofbruin, later felgroen glimmend, sterk contrasterend met het donkere achterlijf. Beide geslachten echter goed te herkennen aan de rij gele vlekjes aan de zijkant van het achterlijf. Voorhoofd met gele tekening. Mannetjes: achterlijf vrij slank, met insnoering ter hoogte van segment 3. Breedste punt van achterlijf ter hoogte van segment 6 en 7. Gele zijvlekjes op het achterlijf klein en vaak in vlucht moeilijk zichtbaar. Aan de basis van het achterlijf echter opvallender. Vrouwtje: zijvlekjes groter en ook in vlucht opvallend; achterlijf in zijaanzicht grotendeels geel. Korte, maar afstaande legschede.

Gelijkende soorten

Gelijkende soorten:

Smaragdlibel, hoogveenglanslibel en metaalglanslibel.

Meer over gelijkende soorten:

De gevlekte glanslibel is de enige glanslibel met een rij gele vlekjes langs de zijkant van het achterlijf. Achterlijfskleur van smaragdlibel en metaalglanslibel is minder zwart (meer brons of groen). Mannetjes smaragdlibel zijn minder slank en hebben het breedste punt van het achterlijf meer naar achteren liggen. Mannetjes hoogveenglanslibel zijn juist iets slanker. Vrouwtjes gevlekte glanslibel zijn door de grote gele vlekken aan de zijkant van het achterlijf eigenlijk onmiskenbaar.

smaragdlibel
Cordulia aenea

hoogveenglanslibel
Somatochlora arctica

bronslibel
Oxygastra curtisii

metaalglanslibel
Somatochlora metallica

Uiterlijk van de larve

Lengte: 19 - 22 mm.
Een kleine larve met opvallende rugdoornen en ook goed zichtbaar zijn de lange zijdoornen op segment 9. De larvenhuidjes zijn meestal donker van kleur. Meestal geen donkere band op de zijkant van het borststuk.

Verwarring met andere larven

Er kan verwarring optreden met de smaragdlibel maar deze heeft minder opvallende (kleinere) rugdoornen en een opvallende donkere band op de zijkant van het borststuk. Ook is verwarring mogelijk met de metaalglanslibel deze soort heeft kleinere zijdoornen op segment 9 en is gemiddeld iets groter. Ook kan de tweevlek tot verwarring leiden maar deze heeft opvallende doornen op het occiput.

Levenscyclus

De larven overwinteren gemiddeld waarschijnlijk drie keer. Uitsluipen gebeurt vanaf eind mei tot in juli.

Larvenhuidjes zijn vaak te vinden in dichte pollen zeggen of in opgaande overvegetatie tot maximaal enkele decimeters hoog.

Het wijfje zet de eieren af met een slaande beweging van het achterlijf op de wateroppervlakte om zo de eieren, meestal in klonten, kwijt te raken.

Leefomgeving van de larve

Op goed beschutte, moerassige plaatsen, zoals veenmosputjes in broekbossen, galigaanmoerassen, gagelmoerassen en verlande delen van vennen en petgaten. Mogelijk ook in vegetatierijke sloten.

Habitat

In sterk verlande vennen, petgaten en in moerasbossen. Mogelijk ook vegetatierijke sloten.

Biotoop

De gevlekte glanslibel is een soort van mesotrofe moerassen. Voortplantingswateren liggen veelal nabij uitgestrekte open riet- (Phragmites australis) en zeggen- (Carex sp.) ruigten en staan doorgaans onder invloed van kwel. De dieren jagen in en langs bos en struweel in de buurt. De belangrijkste Nederlandse vindplaats, bij Budel, wordt gekenmerkt door uitgestrekte galigaanvelden (Cladiummariscus) met gagel (Myrica gale) en riet. Het gebied is slecht toegankelijk waardoor de precieze voortplantingsplekken onbekend zijn. Het enige sluitende bewijs voor voortplanting betreft de vondst in 1999 van vijf larvenhuidjes bij enkele ondiepe plasjes (5-25 cm diep) De plasjes lagen in een door Pijpenstrootje (Molinia caerulea) gedomineerd heideveld en vormden een mozaïek van vegetatie en water (Kalkman et al. 2000). Het bodemsubstraat bestond uit een laag van 5-10 cm dood plantenmateriaal op een stevige onderlaag van zand.
De voortplantingsbiotoop in de noordelijke laagveenpopulaties (o.a.Weerribben)bestaat uit dicht begroeide en sterk verlandende petgaten met weinig water. In de Lindevallei werden in 2005 tientallen larvenhuidjes gevonden in pollen Pluimzegge (Carex paniculata) bij met wilgen omzoomde petgaten in elzenbroekbos. De meeste huidjes hingen boven het water. Opvallend was de vondst in 2006 van een huidje in een brede sloot met Krabbenscheer (Stratiotes aloides) in het vrijwel open polderlandschap van De Fennen bij Gorredijk (De Boer, 2006).
In Duitsland leeft de soort bij veenslenken, zeggenmoerassen, verlandingszones van meren, rietvelden in oude rivierarmen en sloten met krabbescheer (Stratiotes aloides). Incidenteel plant hij zich ook voort in stromend water, mits de oever rijkbegroeid is, de bodem deels met modder bedekt is en het water niet te snel stroomt (Heidemann & Seidenbusch 1993, Schorr 1990).

Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Van eind april tot eind augustus, hoogste aantallen in juni en juli. Gevlekte glanslibellen worden vrijwel altijd vliegend boven land gezien en lijken dan geen binding te hebben met het voortplantingswater. Vrijwel alle waarnemingen zijn van mannetjes die op enkele meters hoogte heen en weer vliegen langs bosranden, boven open plekken in bos en boven sterk begroeide sloten. In het laatste geval is het onduidelijk of in de sloten ook voortplanting plaatsvindt. Vrouwtjes worden zelden gezien en vrijwel altijd in paring met een mannetje. Ei-afzet wordt zelden waargenomen en gebeurt op goed verborgen plaatsen in sterk begroeide en vaak moeilijk toegankelijke wateren.

Mobiliteit

Zeer mobiel. Zwervers zijn veelvuldig waargenomen.

In Nederland
Ja
Regionaal

Vooral in de laagveengebieden van Noord-Nederland, de Kempen in Noord-Brabant en Midden-Limburg. Recent ook enkele waarnemingen in de duinen en in de Achterhoek. De gevlekte glanslibel duikt de laatste jaren op steeds meer plaatsen in Nederland op.

Europa

Midden- en Noordoost-Europa en de zuidelijke helft van Scandinavië. Sterk verbrokkeld verspreidingsgebied in Zuidoost-Europa. Niet op het Iberisch Schiereiland en de Britse Eilanden.

Mondiaal

Oostelijk tot in Mongolië.

Zeldzaamheid

Vrij zeldzaam. De laatste jaren laat de soort een duidelijk herstel zien in Zuidoost-Nederland en heeft de soort populaties in de laagveengebieden van Noordwest-Overijssel en aangrenzend Friesland. In andere delen van Nederland worden steeds meer losse waarnemingen gedaan.
 

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Yellow-spotted Emerald
Duitse naam
Gefleckte Smaragdlibelle
Franse naam
Cordulie à taches jaunes
Toelichting Nederlandse naam

De gevlekte glanslibel ook wel de geelvlek glanslibel genoemd. De vlekken van andere glanslibellen zijn echter ook meestal geel.

Toelichting wetenschappelijke naam

(Gr.) soma=lichaam, chloros=groen
(L.) flavus=geel, maculata=gevlekt

Auteursnaam en jaartal
(Vander Linden, 1825)

Nieuws

Geen resultaten.

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie glanslibellen (Corduliidae)

smaragdlibel
Cordulia aenea

bronslibel
Oxygastra curtisii

hoogveenglanslibel
Somatochlora arctica

metaalglanslibel
Somatochlora metallica

tweevlek
Epitheca bimaculata

gevlekte glanslibel
Somatochlora flavomaculata

alle soorten uit deze familie