bruine glazenmaker Aeshna grandis

Maakt een geheel bruine indruk, zelfs de vleugels.
Familie
glazenmakers (Aeshnidae)
Onderfamilie
Aeshninae
Genus
Aeshna
Onderorde
echte libellen - Anisoptera
Zeldzaamheid

Algemeen

Rode Lijst
thans niet bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken

70-77 mm. Forse glazenmaker, die door gekleurde vleugels extra groot overkomt. Lichaam grotendeels bruin. Zijkant borststuk met twee gele banden. Vleugels oranjebruin, duidelijk donkerder dan de berookte vleugels van sommige andere glazenmakers. Pterostigma’s bruin. Mannetje: blauwe vlekjes op zijkant van achterlijf, bovenzijde van segment 2 en bovenkant van de ogen. Bovenzijde van overige achterlijfsegmenten met zeer kleine gele vlekjes. Vrouwtje: gele vlekjes op zijkant van achterlijf en zeer kleine gele vlekjes op bovenzijde achterlijf.

Gelijkende soorten

Gelijkende soorten:

Geen, hooguit de vroege glazenmaker die een oranjebruin achterlijf heeft.

Meer over gelijkende soorten:

Een grote bruine libel met bruingekleurde vleugels is altijd een bruine glazenmakers. Andere soorten hebben hooguit een veel lichtere en minder opvallende bruine tint in de vleugels. De vroege glazenmaker heeft een oranjebruin achterlijf, dat donkerder kan worden bij ouderdom. Het achterlijf gaat dan wat op dat van bruine glazenmaker lijken, maar de vleugels blijven helder. Verder hebben vroege glazenmakers opvallend groene ogen.

vroege glazenmaker
Aeshna isoceles

Uiterlijk van de larve

Lengte 41-46 mm.
Vrij groot en breed met een kort prementum, korte cercus en een zijdoorn op segment 6. Onder vergroting is te zien dat de soort een gebogen achterrand heeft van de ogen en karakteristieke lichte vlekken op de occiput.

Verwarring met andere larven

Verwarring kan optreden met andere glazenmakers die de combinatie vertonen van een kort prementum en korte cerci. Dit zijn de venglazenmaker en de groene glazenmaker. Ook de in Nederland niet voorkomende getande glazenmaker valt hieronder. De bruine glazenmaker is onderscheidend door de bonte rugtekening en lichte band over de epiproct.

Levenscyclus

Duurt een of twee jaar. De (eerste) winter wordt als ei doorgebracht. Uitsluipen gebeurt van begin juni tot in september, met een piek in juli en augustus.

De larvenhuidjes hebben vaak een bonte rugtekening en een lichte band over de epiproct.
De larvenhuidjes zijn te vinden in de oevervegetatie tot circa een halve meter hoogte.
Leefomgeving van de larve

Tussen waterplanten of op de bodem tussen dood organisch materiaal.

Habitat

Rijk begroeide wateren, meestal in bosrijke omgeving: vennen, plassen, laagveen, sloten etc. Sporadisch ook bij langzaam stromend water.

Biotoop

De Bruine glazenmaker is te vinden bij allerlei stilstaande wateren, met name in bosrijke gebieden maar ook in open polders. De voorkeur lijkt uit te gaan naar rijkbegroeide wateren, zoals laagveensloten en plassen, dode rivierarmen, vennen, venen en vijvers. De voortplantingsbiotoop varieert sterk in grootte, diepte, voedselrijkdom, begroeiing en zuurgraad. Larvenhuidjes zijn bijvoorbeeld gevonden bij zuur water met een pH van 3,9 en in het buitenland ook in brak water. De directe omgeving van het water lijkt belangrijk bij de biotoopkeuze: niet te dichte bebossing en een gevarieerd landschap blijken aantrekkelijk. Ook de successie van de bio-toop is mogelijk van belang: in Britse poelen plantte de soort zich pas voort toen deze al tien jaar oud waren. Ook in Nederlandse gebieden is een voorkeur voor oudere wateren waargenomen (Moore 1991a, Schorr 1990, Wasscher 1992b). In het buitenland wordt de soort ook in traagstromend water gevonden (Geijskes & Van Tol 1983).
 
Overgenomen (met toestemming) uit:

Vliegtijd en gedrag

Van begin juni tot in oktober, vliegpiek in augustus. Bruine glazenmakers zijn een groot deel van de dag actief, soms ook ’s ochtends vroeg en ‘s avonds laat. Ze vliegen in een rustig tempo hoog door de lucht, meestal op beschutte plaatsen (bv. halfopen bos). Hier jagen ze op allerlei insecten, waaronder relatief vaak grote insecten. Vlinders en andere libellen worden bijvoorbeeld regelmatig door bruine glazenmakers gevangen. Mannetjes maken patrouillevluchten boven het open water, waarbij ze de komst van vrouwtjes afwachten en andere mannetjes verjagen. Na de paring zet het vrouwtje solitair haar eitjes af in dode of levende planten. Ook vermolmd hout en ander zacht materiaal langs de waterkant wordt gebruikt.

Mobiliteit

Mobiele soort die grote afstanden kan afleggen.

In Nederland
Ja
Regionaal

Algemeen in een groot deel van Nederland. Weinig waarnemingen in Zeeland, de noordelijke helft van Noord-Holland, de kleigebieden van Friesland en Groningen en (vreemd genoeg!) Zuid-Limburg.

Europa

Centraal- en Noord-Europa. Ontbreekt in Zuidwest-Frankrijk en het Iberisch Schiereiland (uitgezonderd Pyreneeën), grote delen van Italië en Zuidoost-Europa. Wel in Groot-Brittannië en Ierland.

Mondiaal

Oostelijk tot aan het Baikalmeer. Niet in Afrika.

Zeldzaamheid

Zeer algemeen

Verspreiding in Nederland in vier perioden
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Engelse naam
Brown Hawker
Duitse naam
Braune Mosaikjungfer
Franse naam
Grande Aeschne
Toelichting wetenschappelijke naam

Aeshna= de herkomst van deze naam is onbekend
(L.) grandis=groot, krachtig

Auteursnaam en jaartal
(Linnaeus, 1758)

Nieuws

Geen resultaten.

Tijdschriften

Geen resultaten.

Projecten

Geen resultaten.

Soorten uit dezelfde familie glazenmakers (Aeshnidae)

vroege glazenmaker
Aeshna isoceles

glassnijder
Brachytron pratense

zuidelijke glazenmaker
Aeshna affinis

blauwe glazenmaker
Aeshna cyanea

zadellibel
Anax ephippiger

paardenbijter
Aeshna mixta

alle soorten uit deze familie