Vrij algemeen. Komt voor in de duinen en lokaal op de zandgronden in het binnenland; ook daarbuiten af en toe een zwervend exemplaar. RL: bedreigd.
Voorvleugellengte: 15-18 mm. De vlinder rust zodanig met de vleugels om het lichaam gevouwen dat de vleugelpunten spits lijken. Op de grijsachtig witte voorvleugel bevinden zich enkele dwarsbanden die bestaan uit rijen zwartachtige vlekjes, die soms samengesmolten zijn. De zwartachtige vegen op de voorvleugel kunnen in aantal en grootte variëren. De ondersoort arenaria is vaak bleek met kleine zwartestipjes, die bij gesleten exemplaren slechts vaagzichtbaar zijn; de ondersoort pseudobifasciata heefteen meer uitgebreide zwarte tekening, met groterestippen en zwarte vegen. De achtervleugel is bruinachtig grijs met witachtige franje.
Er zijn enkele veel voorkomende microvlinders, waaronder het distelhermelijntje (Myelois circumvoluta) en diverse spinselmotten (Yponomeuta-soorten), die ook wit met zwart gespikkeld zijn; deze hebben echter nooit zwarte strepen.
Begin juni-begin september in één generatie. De vlinders rusten overdag op grasstengels en zijn gemakkelijk te verstoren. Ze komen op licht.
Rups: augustus-juni. Vanaf februari is de rups zonnend en foeragerend waar te nemen. De soort overwintert als jonge rups en verpopt zich in een losse cocon tussen gras of heide.
Diverse grassen en kruidachtige planten, waaronder buntgras, schapengras, dophei, struikhei en bosbes.
Vooral duinen en heiden.
Vrij algemeen. Komt voor in de duinen en lokaal op de zandgronden in het binnenland; ook daarbuiten af en toe een zwervend exemplaar. RL: bedreigd.
De ondersoort 'arenaria' is zeldzaam in de duinen, maar lokaal algemeen; de ondersoort 'pseudobifasciata' is zeer zeldzaam in de Kempen en sterk achteruitgegaan. In Wallonië zeer zeldzaam en beperkt tot enkele locaties in Luik en Namen.
Van Noord-Afrika via het Iberisch schiereiland en grote delen van Europa tot Siberië. Naar het westen tot Engeland. Naar het noorden tot Midden-Scandinavië en in het zuiden het noordelijke Middellandse Zeegebied inclusief Italië, Sicilië en de Balkanlanden
De aanduiding beertje heeft deze soort gemeen met de kleinere soorten uit de familie van de beervlinders (Arctiidae). De naam beervlinders heeft deze familie te danken aan het uiterlijk van de rupsen die dicht behaard zijn en daardoor aan een beer doen denken.
Twee beertjes hebben, afwijkend van de andere beertjes, grassoorten als waardplant en beide hebben een streeppatroon op de vleugels: Coscinia striata, die een gele grondkleur onder de strepen heeft en deze soort, Coscinia cribraria, met een witte tot lichtgrijze grondkleur. Meer over Nederlandse namen
Coscinia: koskinon is een zeef, naar het patroon op de voorvleugel.
cribraria: cribrarius is gezeefd, eveneens naar het stippenpatroon op de voorvleugels. Beschreven in Bombyx dus -aria als uitgang.
Actualiteiten
Ontdek meerBlijf op de hoogte
Ontvang vlindernieuwsWord donateur
Steun De Vlinderstichting
gelijnde micro-uil
Schrankia taenialis
kleine beer
Phragmatobia fuliginosa
roomvlek
Arctia villica
grijs weeskind
Minucia lunaris
nonvlinder
Lymantria monacha
hoekstipvlinder
Orgyia recens