Vrij algemeen. Komt verspreid over het hele land voor; op sommige vliegplaatsen talrijk. RL: niet bedreigd.
Voorvleugellengte: ♂ 22-26 mm, ♀ 26-31 mm. De combinatie van de grote afmetingen en de twee, min of meer parallel lopende, licht gekleurde centrale dwarslijnen op de voorvleugel maken deze spinner goed herkenbaar. Het mannetje is overwegend roodbruin; het grotere vrouwtje is grotendeels grijsbruin.
Tot 65 mm; lichaam fluweelzwart, op de rug een dichte, roodachtig bruine beharing en grijsachtige haren op de flanken; kop zwart en bruinachtig behaard; de haren kunnen jeuk veroorzaken. De jonge rupsjes zijn zwartachtig bruin met op de rug lichtgele insnijdingen tussen de segmenten.
Eind april-eind juni in één generatie. De snel vliegende mannetjes zijn overdag actief, maar komen soms ook ´s nachts op licht. De vrouwtjes vliegen uitsluitend ´s nachts en komen goed op licht, waarbij ze direct beginnen met het afzetten van de eieren.
Rups: augustus-april. De rups is actief tot in september en overwintert in volgroeid stadium op de grond, soms verscholen tussen mos of dode bladeren. Komt na de winter slechts korte tijd tevoorschijn om te zonnen in de voorjaarszon en verpopt zich in april, zonder verder nog voedsel op te nemen, in een langwerpige sigaarvormige cocon vlak bij de grond.
Diverse kruidachtige en houtige planten, waaronder struikhei, bosbes, braam, berk en kruipwilg.
Heiden, vochtige graslanden, open bossen en duinen.
Vrij algemeen. Komt verspreid over het hele land voor; op sommige vliegplaatsen talrijk. RL: niet bedreigd.
In Vlaanderen grotendeels beperkt tot de Kempen en de westkust, waar de soort lokaal algemeen is. Elders zeldzamer. In Wallonië vrij algemeen en wijdverbreid.
Van het noorden van het Iberisch schiereiland via West-Europa (inclusief de Britse eilanden) en de gematigde zone oostwaarts tot Siberië. Naar het noorden (tot boven de poolcirkel) in heel Scandinavië en naar het zuiden tot de Middellandse Zee en tot de Zwarte Zee.
De rups kan kennelijk veel voedsel aan. In bosbouwkringen is veelvraat al decennialang in gebruik.
Macrothylacia: macro is groot en thulakos is een zak, een buidel. Dit heeft betrekking op de grote cocon van deze vlindersoort.
rubi: rubi komt van Rubus, het plantengeslacht braam, een van de waardplanten die Linnaeus opgeeft.
Actualiteiten
Ontdek meerBlijf op de hoogte
Ontvang vlindernieuwsWord donateur
Steun De Vlinderstichting
ringelrups
Malacosoma neustria
eikenblad
Gastropacha quercifolia
hageheld
Lasiocampa quercus
espenblad
Phyllodesma tremulifolia
heideringelrups
Malacosoma castrensis
zwarte herfstspinner
Poecilocampa populi