veenhooibeestje Coenonympha tullia

Het veenhooibeestje, dat beschermd wordt volgens de Wet natuurbescherming, profiteert in het Fochteloërveen duidelijk van de genomen herstelmaatregelen.
Familie
aurelia's (NYMPHALIDAE)
Onderfamilie
Satyrinae / Coenonympha tullia
Groep
Dagvlinder
Hoe moeilijk te herkennen
(goed tot redelijk goed te determineren)
Zeldzaamheid

Een uiterst zeldzame standvlinder die nog slechts voorkomt op vier plaatsen in Drenthe en Zuidoost-Friesland.

Rode lijst
ernstig bedreigd

Verspreiding
Vliegtijd
Kenmerken vlinder

Voorvleugellengte: circa 19 mm. De bovenkant van de vleugels is vrijwel effen bruin; in de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich een kleine zwarte oogvlek. Over de onderkant van de achtervleugel loopt een rij witgekernde en geelgeringde zwarte oogvlekken; de duidelijkheid van deze vlekken is variabel.

Kenmerken rups

Tot 25 mm; lichaam groen met over de rug een gele- of witgezoomde, donkergroene middenstreep; op de flanken een opvallende witte lengtestreep over de spiracula; roze-achtige staartjes met witte uiteinden; ronde groene kop.

Gelijkende soorten vlinder

Zie het hooibeestje.

hooibeestje
Coenonympha pamphilus
NYMPHALIDAE: Satyrinae

Gelijkende soorten rups

Hooibeestje (Coenonympha pamphilus).
N.B.: vergelijk behalve de uiterlijke kenmerken ook de tijd van het jaar waarin de rupsen voorkomen, het habitat en de waardplant(en).

hooibeestje
Coenonympha pamphilus
NYMPHALIDAE: Satyrinae

Vliegtijd en gedrag

Half mei-eind juli in één generatie. De vlinders besteden slechts weinig tijd aan het zoeken van nectar; de belangrijkste nectarplant is dopheide. De mannetjes bezetten geen territorium en vliegen veel, vooral in de middag. De vrouwtjes zijn veel minder actief en verbergen zich vaak in de vegetatie.

De uiterste data waarop een vlinder is waargenomen, zijn 20 mei en 28 augustus.

Levenscyclus

Rups: half juli-half juni. De rupsen eten van de zachte toppen van de bladeren. De soort overwintert als rups, diep verscholen in een pol van de waardplant; hier zijn de rupsen goed bestand tegen hoge waterstanden en vrieskou.

ei-afzet
Het vrouwtje zet de eitjes afzonderlijk af, meestal op dorre, bruine bladeren aan de basis van een grote pol van de waardplant.

rups en verpopping
De rupsen eten van de zachte toppen van de bladeren. Wanneer zij stoppen met eten of als het slecht weer is, trekken ze zich terug in het binnenste van de pol. Rupsen overwinteren in het derde - soms vierde - stadium, diep verscholen in de pol, waar ze hoge waterstanden en vrieskou kunnen overleven. Als het waterpeil stijgt, kruipt de rups langs een spriet wat omhoog. Toch is het overlevingspercentage in natte winters aanmerkelijk lager dan in drogere winters. Het veenhooibeestje verpopt zich op of nabij de waardplant.

vlinders
De eerste vlinders verschijnen in juni. Het aantal exemplaren op de vliegplaatsen is gemiddeld, zo´n 4 tot 64 exemplaren per hectare. Slechts ongeveer 10 procent van de tijd besteden ze aan het drinken van nectar, voornamelijk van gewone dophei. Dat de vrouwtjes nectar nodig hebben voor de ontwikkeling van de eitjes is overigens nog niet aangetoond.
De mannetjes bezetten geen territorium en vliegen veel. Zij zijn vooral ‘s middags actief, ook bij temperaturen onder de twintig graden. Vrouwtjes zijn minder actief. Zij vliegen slechts korte afstanden en verbergen zich vaak in de vegetatie. Maagdelijke vrouwtjes zitten in de vegetatie met hun kop omhoog. Wanneer een mannetje passeert, vliegt het vrouwtje in de regel naar het mannetje toe. Zij landt vervolgens ergens in de vegetatie of op de grond. Meestal volgt het mannetje haar, baltst en paart. Door deze actieve opstelling zorgt het vrouwtje ervoor dat de bevruchting snel plaatsvindt, waardoor zij voldoende tijd heeft voor het afzetten van de eitjes. Vrouwtjes die al gepaard hebben, blijven zitten als een mannetje passeert. De mannetjes ontdekken deze vrouwtjes dan ook bijna nooit, hoewel ze er geregeld vlak langs vliegen.

Waardplanten

Waardplant is vooral eenarig wollegras; buiten Nederland ook grassen zoals pijpenstrootje.

Habitat

Voedselarme plaatsen in moerassen, veengebieden, natte heiden en verveende randen langs heidevennen.

Kenmerkend is de afwisseling van dwergstruiken en bultvormende plantensoorten zoals eenarig wollegras, pijpenstrootje en sommige veenmossen. De vlinders zijn vooral te vinden op de overgang van de bulten naar de slenken van hoogvenen en in de vochtige randzones van hoogvenen en veentjes. Is het hoogveen enigszins afgetakeld, dan is de soort juist te vinden op de voedselarmste plaatsen, waar de waardplant eenarig wollegras een polvormige structuur heeft. Daar worden de eitjes op afgezet.

Zeldzaamheid

Een uiterst zeldzame standvlinder die nog slechts voorkomt op vier plaatsen in Drenthe en Zuidoost-Friesland.

Mobiliteit

Het veenhooibeestje is een honkvaste vlinder die zelden buiten het leefgebied wordt waargenomen. De mannetjes zwerven meer dan de vrouwtjes. Wel is de soort twee maal op Terschelling gevonden, wat duidt op zwerfgedrag over een grotere afstand.

Regionaal

In Nederland was de soort aan het begin van de twintigste eeuw een algemeen vlindertje dat in vrijwel alle hoogvenen en veentjes van de zand- en veengronden voorkwam. Daarna lopen de verspreiding en de aantallen langzaam maar zeker terug en wordt het veenhooibeestje uit het Nederlandse landschap weggevaagd. In de jaren tachtig van de vorige eeuw is het nog een vrij zeldzame standvlinder. Hij vloog toen nog in redelijk aantallen in venen en veentjes in Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en de Grote Peel. Daarbuiten lagen ook nog enkele geïsoleerde populaties, zoals in Friesland. Maar de soort ging daarna verder achteruit. De laatste vliegplaats in Zuid-Nederland was de Groote Peel (Noord-Brabant), waar hij in 1991 verdween (en niet 1996 zoals wel eens wordt vermeld); de laatste in de Achterhoek was het Wooldse Veen waar hij in 1995 verdween. Ook uit Overijssel verdween de vlinder in deze periode: de laatste vliegplaatsen daar waren het Wierdense veld tot 1992, het Aamsveen tot 1994, de Engbertsdijkvenen tot 1997 en het Haaksbergerveen tot 2000.
Inmiddels is het veenhooibeestje een uiterst zeldzame standvlinder die nog maar op vier plaatsen in of nabij Drenthe voorkomt. De grootste populatie leeft nu in het Fochteloërveen (Friesland, Drenthe), daarnaast zijn er nog drie kleinere populaties, onder andere in de Boswachterijen Grollo en Hooghalen.

Europa

Op Europese schaal is het veenhooibeestje een kwetsbare soort die met 20 tot 25 procent in 25 jaar achteruitgaat. Het veenhooibeestje staat op de Vlaamse, Waalse, Duitse en Britse Rode Lijst.

Mondiaal

Het veenhooibeestje komt voor van Ierland tot Oost-Azië en van Midden-Scandinavië tot Zwitserland.

Trend op lange en korte termijn
Onderstaande diagrammen tonen de veranderingen van de talrijkheid in de loop van de tijd. De gegevens zijn afkomstig uit het Landelijk Meetnet Vlinders (CBS / De Vlinderstichting) en de Nationale Databank Flora en Fauna.


Uit het Landelijk Meetnet Vlinders blijkt een sterke, rechtlijnige afname van het veenhooibeestje.

Verspreiding in Nederland in vier perioden
Onderstaande kaartjes tonen de verspreiding binnen Nederland in vier perioden. Hoe groter en donkerder een stip, des te groter was de presentie van een soort in het desbetreffende uurhok (5x5 kilometerhok). Presentie geeft aan in welke mate een soort is over- of ondervertegenwoordigd ten opzichte van de (macronachtvlinder-)fauna als geheel. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna.
voor 1950
1950 - 1979
1980 - 1999
2000 - 2015
Trends


Uit het Landelijk Meetnet Vlinders blijkt een sterke, rechtlijnige afname van het veenhooibeestje.

Wet natuurbescherming
Deze vlinder is beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming.
Concrete bedreiging

Dat het veenhooibeestje aan het begin van de vorige eeuw achteruitging kwam vooral door de ontginning en ontwatering van venen en heidegebieden voor turfwinning of omvorming tot landbouwgrond. In de jaren zestig was vermesting van voedselarme heidevennen door zure regen, mest van omliggende terreinen en uitwerpselen van kokmeeuwkolonies vermoedelijk hoofdoorzaak.

In de jaren negentig ging de achteruitgang voort en zijn populaties door de volgende oorzaken verdwenen:

  • Door verlaging van de waterstand in het omliggend (landbouw)gebied verdroogden de nabij gelegen natuurgebieden.
  • In een aantal gebieden is tijdens herstelmaatregelen de grondwaterstand te snel verhoogd. Hierdoor kon het veenhooibeestje er een aantal jaren niet leven en verdwenen de populaties.
  • Veel venen hebben last van vermesting; hierdoor gaat de successie sneller, verbost een groot deel van het veen en wordt het oppervlak leefgebied kleiner.
  • Veel leefgebieden zijn te klein en liggen te versnipperd voor het instandhouden van duurzame populaties.
Aanbevolen beheersmaatregel

Voor het behoud van deze soort dienen de volgende maatregelen te worden genomen:

  • Op de huidige vliegplaatsen moet een deel van de bosopslag worden verwijderd. Bomen verdampen veel water waardoor zij een extra verdroging van het leefgebied veroorzaken. Bovendien leeft het veenhooibeestje niet op plaatsen waar hogere bomen groeien; enige struiken vindt de soort waarschijnlijk prima.
  • Negatieve effecten van verdroging kunnen worden tegengegaan door een geleidelijke verhoging van het waterpeil. Dit kan het beste gebeuren door afvoersloten en -greppels gefaseerd af te dammen. Daarnaast moeten grote fluctuaties in de waterstand worden voorkomen door de regulatie van het peil met een stuw. Bij een te snelle verhoging komen de afzetplaatsen van de eitjes namelijk onder water te staan.
  • Door tussen de venen en de landbouwgebieden houtwallen aan te planten, door bufferzones aan te wijzen en de greppels vanuit landbouwgebied af te dammen, vermindert de toevoer van voedingsstoffen.
  • Nieuw leefgebied kan ontstaan door kleinschalige vervening. Door het graven van kleine veenputjes, door het uitbaggeren van dichtgegroeide veentjes of door de randen van gedegenereerde venen af te plaggen, ontstaan weer jonge successiestadia in de veenvorming, zodat het leefgebied wordt vergroot. Sterk gedegenereerde venen waar het veenhooibeestje en andere karakteristieke soorten niet meer voorkomen kunnen grootschaliger worden afgegraven of uitgebaggerd waardoor de veengroei opnieuw op gang kan komen.
  • De huidige veengebieden moeten behouden blijven. Door aanleg van wanden en dammen wordt verdere verlaging van het waterpeil voorkomen, wat de basis vormt voor herstel van uitgestrekte veengebieden.

Toekomst
Als er geen extra maatregelen worden genomen, zal het veenhooibeestje op den duur verdwijnen uit Nederland. Indien hoogvenen worden hersteld, kan de soort wellicht op enkele plaatsen behouden blijven. Het veenhooibeestje zwerft weinig. Daarom is het belangrijk moerassen, venige oevers en hoogvenen dicht op elkaar te laten aansluiten. Ook is het zinvol om herintroductie te overwegen in voldoende grote gebieden waar de soort vroeger voorkwam en de biotoop door middel van een herstelprogramma weer geschikt is geworden. Dat het veenhooibeestje weer in aantal kan toenemen na herstelmaatregelen, laten het Fochteloërveen en Boswachterij Hooghalen zien.

Engelse naam
Large Heath
Duitse naam
Grosses Wiesenvögelchen
Franse naam
Le Daphnis, Fadet des tourbières
Synoniemen
Coenonympha davus, Satyrus davus, Coenonympha philoxenus, Coenonympha tiphon
Toelichting wetenschappelijke naam

Coenonympha: koinos is gemeenschappelijk en numphe is nimf; Latreille deelde de Satyridae en de Nymphalidae in in een gemeenschappelijke groep.
tullia: Tullius, vrouwelijk Tullia is een Romeinse persoonsnaam zoals b.v. Marcus Tullius Cicero, volgens 18e eeuwse schrijvers ook wel 'Tully' genoemd.

Auteursnaam en jaartal
(Müller, 1764)

Soorten uit dezelfde familie aurelia's (NYMPHALIDAE)

grote vos
Nymphalis polychloros

atalanta
Vanessa atalanta

veenhooibeestje
Coenonympha tullia

veenbesparelmoervlinder
Boloria aquilonaris

blauwe ijsvogelvlinder
Limenitis reducta

alle soorten uit deze familie