Zeer algemeen. Komt verspreid over vrijwel het hele land voor. RL: niet bedreigd.
Voorvleugellengte: 17-20 mm. De vrij brede voorvleugel heeft een gebogen voorrand en loopt enigszins spits toe. Aan de binnenzijde van de vage lichte golflijn bevinden zich enkele dwars op de golflijn staande, zwart gekleurde vlekjes, waarvan de twee middelste sterk in het oog springen en meestal een opvallende dubbele vlek vormen; soms zijn ze bruin en minder duidelijk, heel zelden ontbreken ze. Van de rest van de tekening valt vooral de donkere binnenste lob van de niervlek op. De centrale dwarslijnen zijn slechts vaag zichtbaar. De voorvleugel heeft over het algemeen een geelachtig bruine grondkleur, maar kan ook meer rood- of grijsachtig bruin zijn; soms heeft de vleugel een enigszins korrelig uiterlijk. De antennen van het mannetje zijn zichtbaar geveerd; die van het vrouwtje hebben uitsteeksels die alleen met een loep zichtbaar zijn.
Tot 40 mm; lichaam boven de spiracula grijsachtig bruin, onder de spiracula lichtgrijs of groenachtig grijs; over de rug een brede, okerkleurige middenband met daarin een rij donkerder pijlvlekken; over de spiracula een okerkleurige, langs de bovenrand zwartgezoomde lengteband met op de segmenten vier en vijf opvallende witte stippen; over de rugzijde van segment elf een okerkleurige dwarsband; kop roodachtig bruin met donkerder tekening.
De variabele voorjaarsuil (Orthosia incerta) heeft vlekken die niet dwars op de golflijn, maar evenwijdig aan de golflijn liggen en mist de opvallende dubbelstip; de antennen zijn niet geveerd.
variabele voorjaarsuil
Orthosia incerta
NOCTUIDAE: Hadeninae
De rups lijkt op die van de wilgenschorsvlinder (Apterogenum ypsillon). Het onderscheid is de roodachtig, bruine kop van de rups van de dubbelstipvoorjaarsuil.
wilgenschorsvlinder
Apterogenum ypsillon
NOCTUIDAE: Hadeninae
Eind februari-eind mei in één generatie. De vlinders komen op licht, smeer en wilgenkatjes.
Rups: april-juni. De rups foerageert vooral ´s nachts en verbergt zich overdag tussen de bladeren (jonge rups) of in een bastspleet (grotere rups). De soort overwintert als pop in een cocon in de grond.
Allerlei houtige planten en loofbomen, waaronder eik, wilg, linde, berk, ratelpopulier, spaanse aak, gewone es, kamperfoelie, bosbes en hop.
Vooral loofbossen.
Zeer algemeen. Komt verspreid over vrijwel het hele land voor. RL: niet bedreigd.
Vrij algemeen in het hele land.
Het noorden van het Iberisch schiereiland en de meeste landen van Europa (niet in Griekenland) tot Oost-Azië (Japan). De noordgrens over de Britse eilanden en via Zuid-Scandinavië verder naar het oosten. De zuidgrens over Zuid-Italië (niet op de eilanden), de Balkan en verder tot de Zwarte Zee.
Voorjaarsuilen vliegen vroeg in het jaar. De twee zwarte vlekjes (dubbelstip) aan de achterrand van de voorvleugel zijn opvallend en kenmerkend.
munda: mundus is keurig, schoon, duidelijk.
Blijf op de hoogte
Ontvang vlindernieuwsWord donateur
Steun De Vlinderstichting
brede-w-uil
Lacanobia w-latinum
goudvenstertje
Plusia festucae
witte-l-uil
Mythimna l-album
kleine breedbandhuismoeder
Noctua janthina
hazelaaruil
Colocasia coryli
bonte grasuil
Cerapteryx graminis