Nieuwsbericht

Nachtvlinderjaar 2022

dinsdag 24 januari 2023

Dat nachtvlinders populair zijn, zien we aan de enorme toename aan waarnemingen. In 2022 zijn we de magische grens van 10.000.000 waarnemingen in Noctua, de meest complete nachtvlinderdatabase in beheer van de Werkgroep Vlinderfaunistiek en De Vlinderstichting gepasseerd. Alleen in 2022 waren er maar liefst 1,14 miljoen nachtvlinderwaarnemingen. Hoe was het gesteld met de nachtvlinders in 2022?

Moerasspinner. Moerasspinner.

Het gaat niet goed met veel soorten nachtvlinders. De zomer van 2022 was de warmste zomer ooit gemeten in Europa. Dit heeft grote gevolgen voor veel soorten nachtvlinders. De verdroging van het leefgebied kan leiden tot een grote rupsensterfte, omdat veel planten uitdrogen of achterblijven in groei en dus voor vlinders ongeschikt raken. Planten herstellen ook na maaibeurten minder snel. Vrijwilligers gaven ook aan dat er gedurende de zomer en herfst bijzonder weinig rupsen werden gevonden. De klappen komen het hardste aan bij soorten die leven van korstmossen en diverse soorten kruiden. Vochtige winters kunnen deze schade minimaliseren, bijvoorbeeld als (korst)mossen dan weer herstellen. Naast een groot aantal verliezers zijn er ook enkele winnaars. Een deel daarvan betreft trekvlinders en enkele standvlinders, die mogelijk profiteert van de vochtige en mildere winters of juist wel van de warme zomers.

Naast het hoge aantal losse waarnemingen zijn er via het meetnet nachtvlinders 250.000 nachtvlinders geteld; ruim 190.000 macronachtvlinders en bijna 60.000 microvlinders. Omdat deze op gestandaardiseerde wijze zijn verzameld, kunnen deze worden gebruikt om verschillen in aantallen vast te stellen. Over de periode 2013-2022 kunnen we dankzij het meetnet steeds beter de prestatie van soorten analyseren. Het zegt lang niet alles, want soms is er sprake van jaarlijkse variaties. Deze jaarlijkse variaties zijn normaal bij nachtvlinders en bovendien bij heel veel insecten. Het zegt dus niet of het goed of slecht met deze soorten gaat. Een aantal soorten zoals de dennenspinner (Dendrolimus pini), de donkere marmeruil (Deltote pygarga) en de gerande spanner (Lomaspilis marginata) leken het ten opzichte van de voorgaande jaren weer iets beter te doen. De gewone breedvleugeluil (Diarsia rubi), een soort die vooral door de BIMAG-boeren  veel wordt gevangen, had in 2022 een goed jaar in vergelijking met voorgaande jaren. Het zwart beertje (Atolmis rubricollis) had last van de droge jaren. Ondanks dat 2022 ook droog was, lagen de aantallen gelukkig weer wel hoger dan de jaren ervoor, mogelijk door het niet al te droge en warme najaar van 2021; het moment dat deze soort als rups leeft.  
Om op termijn beter te kunnen zeggen hoe een soort presteert in ons land hebben we langere tijdreeksen nodig, het liefst tien jaar of meer.  

Veel trekvlinders

De zuidelijke winden voerden ook tal van bijzondere trekvlinders naar Nederland. Aanvankelijk hadden wel vroeg in het jaar, in mei en begin juni, verspreid over het hele land kwamen bovengemiddeld veel waarnemingen binnen van de gestreepte pijlstaart (Hyles livornica). In het voorgaande jaar zijn ook de rupsen in Nederland gevonden. Het is zeer goed mogelijk, dat poppen onze mildere winter hebben doorstaan en dit dus de nakomelingen zijn van vorig jaar. Op 16 augustus werd de eerste witlijnprachtuil (Grammodes stolida) voor Nederland gevangen in de Millingerwaard. Dit is een zeldzame trekvlinder uit Zuid-Europa en Noord-Afrika. De meeste trekvlinders verschenen in de herfst. Vanaf half oktober was er een heuse influx van prachtberen (Utetheisa pulchella). Door de aanhoudende zuidelijke stroming werden vele exemplaren vanuit Zuid-Europa richting het noorden geblazen. In Nederland zijn enkele honderden waarnemingen gedaan van deze soort in oktober en november. Een influx als deze vond niet eerder plaats.

Eind oktober waren er ook enkele meldingen van de oranjerode oogspanner (Cyclophora puppillaria). De soort werd in Drenthe, Overijssel en Zeeland aangetroffen. Ook de geelvleugelmot (Uresephita gilvata), een microvlinder, werd in ons land waargenomen. Het is de vierde zekere waarneming van deze soort na 1951, 2015 en 2020. In 2022 werden er weer veel Florida-uilen (Spodoptera exigua) aangetroffen, maar de aantallen van 2015 zijn zeker niet overtroffen. In Zeeland en op Texel waren er enkele waarnemingen van de ni-uil (Trichoplusia ni), deze soort werd zowel in het voor- als najaar gezien. Afsluitend werden er in november in Limburg en in Zuid-Holland wingerdpijlstaarten (Hippotion celerio) gezien, eveneens een zeer zeldzame trekvlinder die af en toe in Nederland gezien wordt. Het is niet uitgesloten dat deze pijlstaart zich in de toekomst ook in ons land kan gaan voortplanten op de druivenplanten in tuinen.

Opvallende vestigingen

In de wintermaanden werden er enkele overwinterende dubbelstipsnuituilen (Hypena obsitalis) aangetroffen, voornamelijk in (vleermuis)bunkers. Deze zuidelijke soort is al jaren met een opmars bezig en wordt nu dus ook steeds vaker in Nederland gezien. Zij leeft, net als de glaskruidprachtmot (Cosmopterix pulchrimella), op glaskruid. Ook deze microvlinder is voor het eerst na 2014 weer waargenomen, waaronderrupsen op glaskruid. In België is deze soort ook aan een uitbreiding bezig. De waarnemingen van de populierengroenuil (Earias vernana) nemen toe met nu ook meerdere waarnemingen in de provincie Groningen. De waarnemingen van de groene geelvleugeluil (Polyphaenis sericata) in Limburg nemen toe, met in 2022 meerdere exemplaren. In Zeeland werd ten oosten van Terneuzen een heuse populatie bleekschouderuilen (Acontia lucida) ontdekt, na enkele waarnemingen van een jaar eerder. In dezelfde provincie werd eerder ook de gehaakte steltmot (Caloptilia semifascia) ontdekt, een soort die nu ook elders opduikt. Het zijn voorbeelden van soorten die zich nu echt gevestigd lijken te hebben in ons land. Gedeeltelijk zal dit het gevolg zijn van een opwarmend klimaat. De gevlamde grasuil (Eremobia ochroleuca) werd ook opnieuw in Zeeland gevonden. Het is een soort die mogelijk profiteert van het herstel van bloemrijke akkerranden en dijken, waar zij in het oudhollandse landschap ook voorkwam.

Andere bijzonderheden

Schapengrasuil . Schapengrasuil .

Na vele jaren werd afgelopen jaar op 21 april in Zwijndrecht, Zuid-Holland, een brildrager (Egira conspicillaris) gevangen in een lichtval. Voor zover bekend is dit het tweede exemplaar voor ons land. In juni werden in Groningen, Overijssel en Drenthe enkele vlinders van de bonte beer (Callimorpha dominula) aangetroffen. In Renkum, Gelderland, werd op 17 mei de tweede bandstipspanner (Idaea degeneraria) voor Nederland gevangen. In Drenthe werden rupsen van de vooralsnog uit Zuid-Limburg bekende gevlekte kustmot (Caryocolum kroesmanniella) gevonden. In Groningen werd een elzenspannertje (Hydrelia sylvata) gezien op 17 juni, de eerste waarneming van deze soort in ons land sinds 2005. Nabij Apeldoorn werd weer eens een donker visstaartje (Meganola strigula) ontdekt op 29 juni.

In de zomer werden ook twee nieuwe soorten microvlinders waargenomen: op 3 juli werd in Zeeland een eerste exemplaar van de absintlichtmot (Euzophera cinerosella) gezien en op 14 augustus dook een eerste meldelichtmot (Gymnancyla hornigii) op in Groningen. In Zuid-Limburg en in Noord-Brabant waren er afgelopen jaar meerdere waarnemingen van de moerasbos-uil (Acronicta strigosa). Ook de zwavelgele peulkokermot (Coleophora coronillae) werd op veel plekken gevonden op kroonkruid langs de rivieren; mogelijk meegevoerd als gevolg van transplantaties van plantenzaden. In Gelderland waren er enkele waarnemingen van de lastig te herkennen schapengrasuil (Apamea furva) en op de kwelders van Groningen en Friesland werden verschillende populaties van de Zeeuwse grasworteluil (Apamea oblonga) ontdekt.

Toch veel verliezers

Ondanks dat een aantal soorten nachtvlinders het goed lijkt te doen, gaat het gemiddeld genomen niet goed met de nachtvlinders. De aantallen zijn nog altijd vele malen lager dan vele jaren geleden. Ook van oudsher algemene soorten. Bedreigde soorten zoals de moerasspinner (Laelia coenosa) werd dit jaar toch weer aangetroffen in De Peel in het grensgebied van Noord-Brabant en Limburg. De vliegtijd van de vlinder is hoofdzakelijk juli. Al eerder, in 2020, werd een deel van het leefgebied van deze bedreigde nachtvlinder verwoest. Kort na de vliegtijd, in augustus dit jaar, ging opnieuw een deel van het leefgebied in vlammen op. Het huidige jaar wordt een spannend jaar om de gevolgen van de brand vast te kunnen stellen. Dit geldt evengoed voor een reeks andere soorten die hopelijk enig herstel zullen laten zien. Ecologisch beheer binnen natuurgebieden en in groenstroken kan daarin helpen.

Een aantal soorten zijn lokaal zelfs afwezig, zoals de berken-orvlinder (Tetheella fluctuosa) en de klaverblaadjes (Macaria sp.). Het streepkokerbeertje (Eilema complana) had in 2020 een relatief goed jaar met weer wat hogere aantallen, maar in de jaren erna namen de aantallen weer flink af. De achteruitgang verschilt van gebied tot gebied. Langdurige droogte, veel te vochtige en warme winters en tal van andere factoren spelen daarbij een grote rol. Een kanttekening is wel, dat veel waarnemingen niet direct leiden tot het ‘statistisch’ vaststellen van de achteruitgang. Een combinatie van waarnemersbeleving, data en steeds meer biologische soortenkennis leidt vooralsnog wel tot deze conclusie. Aan de hand van het Meetnet kunnen we deze ontwikkelingen sterker onderbouwen.  
In het jaarverslag vlinders en libellen dat in april uitkomt wordt hier verder op ingegaan. Wil je bijdragen aan deze kennis? Voer je nachtvlindertellingen met een val dan in via Meetnet.Vlinderstichting.nl

2022 2023 JurrienVanDeijk Nachtvlinders Natuurbericht Noctua RikWever TymoMuus waarnemingen WerkgroepVlinderfaunistiek